Over iemand anders vertellen
Ik kan over iemand anders vertellen — waar hij of zij woont en werkt — en vragen over die persoon stellen.
Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.
Grammatica
4 minHet Engelse werkwoord heeft precies één persoonsuitgang: -s in de derde persoon enkelvoud. Die verschijnt bij he, she, it en verder nergens.
| I / you / we / they | work, live, speak |
| he / she / it | works, lives, speaks |
In een vraag en een ontkenning gaat de uitgang over naar het hulpwerkwoord, en het hoofdwerkwoord blijft zonder -s:
| bevestigende zin | He works in a hotel. |
| vraag | Does he work in a hotel? |
| ontkenning | He doesn't work in a hotel. |
| kort antwoord | Yes, he does. / No, he doesn't. |
Spelling: na -s, -x, -ch, -sh, -o komt er -es bij (teaches, goes); na een medeklinker verandert de -y (study → studies).
Fouten van Nederlandstaligen
geschreven voor jouw taalEen vraag door omkering, zonder does
✗ Works he in a hotel?
✓ Does he work in a hotel?
In het Nederlands zet je het werkwoord gewoon vooraan: ‘Werkt hij in een hotel?’. In het Engels kan dat met een gewoon werkwoord niet: de vraag begint met does.
Dubbele uitgang
✗ Does he works?
✗ He doesn't works
✓ Does he work?
He doesn't work. In het Nederlands houdt het werkwoord zijn uitgang ook in de vraag (‘Werkt hij?’), dus de -s blijft makkelijk staan. Maar de uitgang is al naar does gegaan — een tweede keer mag hij er niet bij.
not achter het werkwoord
✗ He speaks not Italian
✓ He doesn't speak Italian
In het Nederlands komt ‘niet’ of ‘geen’ na het werkwoord: ‘Hij spreekt geen Italiaans’, ‘Hij werkt niet in een hotel’. In het Engels staat doesn't vóór het werkwoord.
Uitspraak
3 minDe uitgang -s spreek je op drie manieren uit — net als bij de zelfstandige naamwoorden uit les 5:
| Klank | Na wat | Voorbeelden |
|---|---|---|
| /s/ | na stemloze klanken | works, speaks, likes |
| /z/ | na stemhebbende klanken en klinkers | lives, knows, goes |
| /ɪz/ | na sisklanken | teaches, watches, uses |
Tekst
3 minMy brother Tom lives in Italy. He works in a hotel. He speaks Italian and English. He doesn't speak Dutch. His wife Anna is a doctor. She works in a hospital. She likes her job. She doesn't like early mornings.
Oefeningen
8–10 min1. Invuloefening.
- He (work) in a shop
- She (speak) English
- Tom (study) Italian
- My sister (teach) in a school
Toon de antwoorden
2. Invuloefening.
- he live here?
- She work on Monday
- you know Tom?
- He speak German
Toon de antwoorden
3. Foutopsporing.
- He work in a hotel.
- Does she works here?
- Tom don't like coffee.
Toon de antwoorden
4. Koppeloefening.
- works
- speaks
- lives
- knows
- teaches
- watches
Toon de antwoorden
Samenvatting
Behandeld
- de uitgang -s in de derde persoon
- does en doesn't
- het korte antwoord
- de drie uitspraken van -s
Volgende: les 10 — de tijd en je dagindeling.
Einde van de kern
De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.
optioneel
Woordenschat voor de kaartenset
12 woorden- study /ˈstʌdi/ studeren, leren
- teach /tiːtʃ/ lesgeven
- go /ɡəʊ/ gaan
- watch /wɒtʃ/ kijken (naar)
- use /juːz/ gebruiken
- hotel /həʊˈtel/ hotel
- early /ˈɜːli/ vroeg
- late /leɪt/ laat
- morning /ˈmɔːnɪŋ/ ochtend
- evening /ˈiːvnɪŋ/ avond
- his /hɪz/ zijn
- her /hɜː/ haar
Schrijven
Vier zinnen over een familielid: waar hij of zij woont, waar hij of zij werkt, wat hij of zij doet en wat niet.
Voorbeeld
My brother lives in Italy. He works in a hotel. He speaks Italian. He doesn't speak Dutch.
Checklist
Oefen deze les in de andere secties
Heb je een idee voor een functie?
Vertel ons wat je hierna wilt zien — we lezen elk bericht.
⚑ optioneel