Zeggen wat ik kan
Ik kan zeggen wat ik kan en wat ik niet kan, beleefd om iets vragen en om toestemming vragen.
Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.
Grammatica
4 mincan — kunnen en mogelijkheid. Het werkwoord erna staat ZONDER to.
| I can swim. | Ik kan zwemmen. |
| She can't drive. | Ze kan niet autorijden. |
| Can you cook? | Kun je koken? |
| Yes, I can. / No, I can't. | Kort antwoord. |
can krijgt geen -s in de derde persoon en heeft in de vraag geen do nodig — het is zelf een hulpwerkwoord: He can swim, Can he swim?, He can't swim.
De tweede taak van can — een beleefd verzoek en toestemming:
| Can you repeat that, please? | Kun je dat herhalen, alsjeblieft? |
| Can I have a coffee, please? | Mag ik een koffie? |
| Can I sit here? | Mag ik hier zitten? |
Dit is de tweede trede van de ladder die in les 1 en 16 begon: daar had je Sorry? en A coffee, please — de kortste vormen. Nu heb je een beleefdere. De derde, Could you…, wacht op A2: could is formeel de verleden tijd van can, en het heeft geen zin om het te behandelen voordat can vertrouwd is.
Fouten van Nederlandstaligen
geschreven voor jouw taalcan zonder werkwoord
✗ I can Dutch
✗ Can I a coffee, please?
✓ I can speak Dutch
Can I have a coffee, please?. In het Nederlands kan een hulpwerkwoord zonder tweede werkwoord staan: ‘Ik kan Nederlands’, ‘Mag ik een koffie?’. In het Engels volgt na can altijd een werkwoord.
good en de plaats ervan
✗ I can good swim
✓ I can swim well
In het Nederlands staat de infinitief achteraan en ‘goed’ ervoor: ‘Ik kan goed zwemmen’, en ‘goed’ is zowel good als well. In het Engels komt het werkwoord direct na can, en ‘hoe’ zeg je met well aan het eind.
can uitgesproken als ‘kan’
✗ I can swim met de klinker van ‘kan’ → ✓ I can swim met een zwakke /kən/. De Nederlandse ‘a’ in ‘kan’ ligt dicht bij de lange /ɑː/ van can't, en omdat de t vaak wegvalt, hoort een Brit dan I can't swim — precies het omgekeerde.
Uitspraak
3 mincan en can't verschillen niet in de medeklinker, maar in de klinker en de lengte.
| klinkt | hoe | |
|---|---|---|
| can (in een bevestigende zin) | /kən/ | zwak, kort, bijna ‘kn’ |
| can't | /kɑːnt/ | lange klinker, met klemtoon |
| can (in een kort antwoord) | /kæn/ | met klemtoon |
Daarom hoor je het verschil tussen I can swim en I can't swim aan de lengte van de klinker, niet aan de klank t — in snelle spraak is de t vaak helemaal niet te horen.
Tekst
3 minI can swim and I can cook, but I can't drive. My brother can drive. He can't cook — he eats in cafés. — Can you play the guitar? — No, I can't. But I can sing. — Can I have a glass of water, please?
Oefeningen
8–10 min1. Invuloefening.
- I (+) swim, but I (−) drive
- you cook?
- He play the guitar — he studies music
Toon de antwoorden
2. Foutopsporing.
- I can to swim.
- Do you can drive?
- He cans cook.
Toon de antwoorden
3. Omzetoefening.
Maak van She can drive een vraag en een ontkenning.
Toon de antwoorden
4. Koppeloefening.
- Can you repeat that, please?
- Can I have a coffee, please?
- Can I sit here?
Toon de antwoorden
Samenvatting
Behandeld
- can en can't in alle vormen
- een beleefd verzoek en toestemming vragen met can
Volgende: les 21 — vragen waar iets is.
Einde van de kern
De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.
optioneel
Woordenschat voor de kaartenset
12 woorden- drive /draɪv/ autorijden
- play /pleɪ/ spelen
- ride /raɪd/ rijden (op een paard, op de fiets)
- ski /skiː/ skiën
- guitar /ɡɪˈtɑː/ gitaar
- piano /piˈænəʊ/ piano
- bicycle /ˈbaɪsɪkl/ fiets
- badly /ˈbædli/ slecht
- again /əˈɡen/ nog een keer, opnieuw
- slowly /ˈsləʊli/ langzaam
- help /help/ helpen
- understand /ˌʌndəˈstænd/ begrijpen
Schrijven
Vier zinnen: wat je kunt, wat je niet kunt en wat iemand uit je familie kan.
Voorbeeld
I can swim and cook. I can't drive. My brother can drive, but he can't cook.
Checklist
Oefen deze les in de andere secties
Heb je een idee voor een functie?
Vertel ons wat je hierna wilt zien — we lezen elk bericht.
⚑ optioneel