Grammatica ~20 min van de kern over

Een zin bouwen die begrepen wordt

Na deze les kun je

Ik kan een eenvoudige zin uit drie delen zeggen — wie, wat hij doet, wat — zonder de woorden zo om te gooien dat de betekenis verandert.

Start de les Kern 18–20 min · stappen: 6 · optioneel: +2

Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.

Grammatica

4 min

In het Engels is de woordvolgorde niet vrij: zij is de grammatica. Wie iets doet, komt eerst, de handeling als tweede, al het andere daarna.

wie wat doet wat
I speak English
You know my brother
We live in Amsterdam

Verwissel de delen — en de zin krijgt een andere betekenis of valt uit elkaar.

De eerste vijf werkwoorden. Voorlopig nemen we de vormen voor I en you — die zijn gelijk aan de grondvorm:

werkwoord
work werken
live wonen, leven
speak spreken (een taal)
know weten, kennen
like leuk vinden, houden van

Drie regels voor de plaats van woorden, en alle drie worden op dezelfde manier overtreden:

  1. Het bijvoeglijk naamwoord staat vóór het zelfstandig naamwoord: a big city, niet a city big.
  2. Tussen het werkwoord en het lijdend voorwerp staat niets: I speak English well, niet I speak well English.
  3. Waar en wanneer staan aan het eind van de zin, niet tussen de handelende persoon en het werkwoord: I work in Amsterdam, niet I in Amsterdam work. De tijd kan ook vooraan: Every day I speak English. (Korte woorden van frequentie — always, often — volgen hun eigen regel, dat is les 11.)
Advertentie

Fouten van Nederlandstaligen

geschreven voor jouw taal
1

Na een tijdsbepaling vooraan wordt het werkwoord naar voren gehaald

✗ Every day speak I English

✓ Every day I speak English

In het Nederlands staat het werkwoord altijd op de tweede plaats: ‘Elke dag spreek ik Engels’. Het Engels kent die omkering niet: ook na Every day komt eerst de handelende persoon, dan het werkwoord.

2

Het bijwoord tussen werkwoord en lijdend voorwerp

✗ I speak well English

✓ I speak English well

In het Nederlands is ‘Ik spreek goed Engels’ de gewone volgorde, en die wordt woord voor woord naar het Engels overgezet.

Uitspraak

3 min

Niet alle woorden in een zin krijgen klemtoon. De klemtoon valt op de inhoudswoorden — de woorden die de betekenis dragen; functiewoorden worden zwak en kort uitgesproken.

I work in Amsterdam. I speak English and Dutch.

in, and, a zijn in de stroom van de zin bijna niet te horen — dat is normaal, geen slordigheid. Wie elk woord even sterk uitspreekt, klinkt alsof hij een lijstje opleest.

Advertentie

Tekst

3 min

I live in Amsterdam. I work in a big office. I speak Dutch and English. I like my work. You know my brother Tom. You like Italian food.

Hardop lezen

Oefeningen

8–10 min

1. Woordvolgorde.

  1. [ English / speak / I ]
  2. [ my brother / know / you ]
  3. [ a big office / in / work / I ]
Toon de antwoorden
I speak English. You know my brother. I work in a big office.

2. Foutopsporing.

  1. I speak well English.
  2. Coffee I like.
  3. I in Amsterdam live.
Toon de antwoorden
I speak English well. / I like coffee. / I live in Amsterdam.

3. Invuloefening.

  1. I in Amsterdam
  2. I English and Dutch
  3. You my sister
Toon de antwoorden
live / work, speak, know.

4. Koppeloefening.

  1. bijvoeglijk naamwoord
  2. bijwoord well
  3. bijwoordelijke bepaling van plaats
Toon de antwoorden
bijvoeglijk naamwoord — vóór het zelfstandig naamwoord; bijwoord `well` — na het lijdend voorwerp; bijwoordelijke bepaling van plaats — aan het eind van de zin.
Advertentie

Samenvatting

Behandeld

  • de volgorde ‘wie — wat doet — wat’
  • de plaats van het bijvoeglijk naamwoord
  • het bijwoord en de bepaling
  • vijf werkwoorden

Volgende: les 8 — hoe je een vraag stelt en ‘nee’ zegt.

Einde van de kern

De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.

Les 8

optioneel

Woordenschat voor de kaartenset

12 woorden
  • work /wɜːk/ werken; werk
  • live /lɪv/ wonen
  • speak /spiːk/ spreken (een taal)
  • know /nəʊ/ weten, kennen
  • like /laɪk/ leuk vinden
  • office /ˈɒfɪs/ kantoor
  • food /fuːd/ eten
  • well /wel/ goed
  • every day /ˈevri deɪ/ elke dag
  • English /ˈɪŋɡlɪʃ/ het Engels (de taal); Engels
  • now /naʊ/ nu
  • also /ˈɔːlsəʊ/ ook

Schrijven

Vier zinnen: waar je woont, waar je werkt, welke talen je spreekt, wat je leuk vindt.

Voorbeeld

I live in Amsterdam. I work in a big office. I speak Dutch and English. I like Italian food.

Checklist

Het concept is opgeslagen op dit apparaat
Advertentie

Heb je een idee voor een functie?

Vertel ons wat je hierna wilt zien — we lezen elk bericht.

Idee versturen →
Advertentie
Advertentie