Herhaling 1 (lessen 1–5)
Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.
Een apart blok met onregelmatige werkwoorden is er op B1 niet.
Lastig punt
10 minAls je over twee dingen tegelijk iets wilt zeggen, neemt het Engels een paar voegwoorden. Er zijn drie van zulke paren, en in betekenis komen ze overeen met het Nederlandse ‘zowel … als’, ‘óf … óf’, ‘noch … noch’.
De vorm:
| both … and | zowel … als, allebei | Both my brother and my sister live abroad. |
| either … or | óf … óf, een van de twee | We can meet either on Monday or on Tuesday. |
| neither … nor | noch … noch | Neither the train nor the bus was running. |
Wanneer gebruik je ze.
both … and verbindt: het een en het ander kloppen allebei. Het onderwerp met both … and is altijd meervoud, en het werkwoord ook: Both Tom and Anna are coming.
either … or biedt een keuze: een van de twee klopt. You can either pay now or pay later. Either Mark or Lucy will meet you at the station. Het paar kan ook twee hele zinnen verbinden — zo klinken voorwaarden en ultimatums: Either you tell him, or I will. (‘Óf jij zegt het hem, óf ik doe het.’) Vóór het tweede deel staat dan een komma.
neither … nor ontkent allebei: het een klopt niet en het ander ook niet. Dit paar draagt zelf de ontkenning, en daarom is het werkwoord erna bevestigend: Neither Tom nor Anna has called. In het Nederlands is dat net zo: ‘noch Tom noch Anna heeft gebeld’ — er komt geen ‘niet’ bij. Maar in de spreektaal zeg je eerder ‘Tom heeft niet gebeld en Anna ook niet’, en wie zo denkt, voegt in het Engels makkelijk nog een not toe. Eén ontkenning — dat is de hoofdregel van dit onderwerp.
Met welk woord het werkwoord overeenkomt. Na either … or en neither … nor kijkt het werkwoord naar het onderwerp dat er het dichtst bij staat: Neither my brother nor my parents are at home. Either my parents or my sister is going to pick you up. In de spreektaal staat na neither … nor vaak ook bij twee enkelvoudige onderwerpen het meervoud — Neither Tom nor Anna have called; op papier is het enkelvoud veiliger.
Waar de voegwoorden staan. Elk voegwoord staat direct vóór zijn eigen deel, en de delen moeten van dezelfde soort zijn: twee zelfstandige naamwoorden, twee werkwoorden, twee bijwoordelijke bepalingen. She speaks both French and German. — na de voegwoorden twee talen. We can either take a taxi or walk. — na de voegwoorden twee handelingen. He neither called nor wrote. — hij heeft niet gebeld en niet geschreven.
Vergelijk neither … nor met een gewone ontkenning:
| I don't like tea or coffee. | gewone spreektaal |
| I like neither tea nor coffee. | formeel en met nadruk |
In alledaagse spraak zeg je ‘noch … noch’ meestal met een gewone ontkenning en or, en neither … nor bewaar je voor geschreven taal en voor gevallen waarin je wilt benadrukken: het een niet en het ander ook niet.
Hoe spreek je ze uit. either en neither klinken in het Britse Engels op twee manieren: /ˈaɪðə/ of /ˈiːðə/, /ˈnaɪðə/ of /ˈniːðə/. Beide zijn goed — kies er één en houd je daaraan. De voegwoorden zelf zijn onbeklemtoond; de klemtoon valt op wat ze verbinden: ‘both TOM and ANna’. Vóór het tweede deel pauzeer je kort, zodat de keuze of de opsomming hoorbaar is.
Meer voorbeelden:
| Both the hotel and the restaurant were full. | Zowel het hotel als het restaurant zat vol. |
| The flat is both cheap and close to the station. | Het appartement is zowel goedkoop als dicht bij het station. |
| You can either call or send a message. | Je kunt bellen of een bericht sturen. |
Zo zeg je het niet. ✗ Neither the train nor the bus wasn't running → ✓ Neither the train nor the bus was running. De ontkenning zit al in neither … nor; een tweede is te veel.
Test jezelf. Hoe zeg je ‘noch Tom noch Anna is gekomen’? Welk werkwoord hoort in Both my sister and my brother ___ (live) in York? Wat klopt er niet aan She both speaks French and German?
toon de antwoorden
Oefeningen bij de lessen 1–5
35 min1. Gemengde invuloefening.
- When I (arrive), the train (already / leave)
- I (lose) my wallet — hij is nog steeds weg
- I (work) here for five years — en ik werk er nu nog
- I (meet) the client at four — dat hebben we afgesproken
- By the time we (get) there, the shop (close)
- Your coat is wet. it (rain)?
- When you (buy) this jacket?
- The film (start) at eight — zo staat het in het programma
Toon de antwoorden
2. Foutopsporing.
- We had visited Rome ten years ago.
- When have you moved to this flat?
- I work here since March.
- I'm about to leave next week.
- I've been writing three letters today.
- By the time when we arrived, the film had started.
- Neither Tom nor Anna didn't come.
- She had went to bed before I got home.
Toon de antwoorden
3. Maak er één zin van
- Tom is coming. + Anna is coming. (both)
- The train wasn't running. + The bus wasn't running. (neither)
- We can go on Monday. + We can go on Tuesday. (either)
- He didn't call. + He didn't write. (neither)
- The hotel was full. + The restaurant was full. (both)
Toon de antwoorden
4. Koppeloefening.
- How long have you been waiting?
- When did you get here?
- Had you met him before?
- What are you doing tonight?
Toon de antwoorden
5. Omzetoefening.
- I started learning English three years ago. (for — en ik leer het nog steeds)
- They've closed the bridge. (vraag met when)
- I lost my keys. Then I couldn't get in. (één zin met because)
- I've decided to visit my sister next month. (going to)
- We arranged to meet Sam on Friday. (Present Continuous)
Toon de antwoorden
6. Vertaal naar het Engels.
1) Toen we aankwamen, was de film al begonnen. 2) Ik wacht al een half uur op je! 3) Ben je ooit in Wales geweest? — Ja, ik ben er vorig jaar heen gegaan. 4) Ik denk dat het morgen koud wordt. 5) Noch Tom noch zijn broer spreekt Frans.
Toon de antwoorden
Samenvatting
Behandeld
- de lessen 1–5 in hun geheel en de paren both … and
- either … or
- neither … nor
Volgende: les 7 — wat ik op dat moment aan het doen zal zijn.
Einde van de kern
De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.
optioneel
Miniproductie
Vertel hardop en schrijf daarna tien zinnen op: een keer dat je te laat kwam, met de voorgeschiedenis; wat je onlangs bent kwijtgeraakt of hebt gevonden; waar je de laatste tijd mee bezig bent en hoe lang al; wat je deze week van plan bent. Minstens één zin met both … and, either … or of neither … nor.
Checklist voor les 7:
- staat bij de eerdere gebeurtenis had + derde vorm, en is er een latere naast?
- het nieuws in de Present Perfect, de details in de Past Simple?
- de duurvorm waar de bezigheid of de duur telt, de gewone vorm waar een aantal telt?
- een afspraak met de Present Continuous, een dienstregeling met de Present Simple?
- een besluit van nu en een belofte met will, be about to zonder tijdstip?
- na neither … nor geen tweede not?
Oefen deze les in de andere secties
Heb je een idee voor een functie?
⚑ optioneel