Lastig punt ~45 min van de kern over

Herhaling 1 (lessen 1–5)

Start de les Kern 45 min · stappen: 3 · optioneel: +1

Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.

Een apart blok met onregelmatige werkwoorden is er op B1 niet.

Lastig punt

10 min

Als je over twee dingen tegelijk iets wilt zeggen, neemt het Engels een paar voegwoorden. Er zijn drie van zulke paren, en in betekenis komen ze overeen met het Nederlandse ‘zowel … als’, ‘óf … óf’, ‘noch … noch’.

De vorm:

both … and zowel … als, allebei Both my brother and my sister live abroad.
either … or óf … óf, een van de twee We can meet either on Monday or on Tuesday.
neither … nor noch … noch Neither the train nor the bus was running.

Wanneer gebruik je ze.

both … and verbindt: het een en het ander kloppen allebei. Het onderwerp met both … and is altijd meervoud, en het werkwoord ook: Both Tom and Anna are coming.

either … or biedt een keuze: een van de twee klopt. You can either pay now or pay later. Either Mark or Lucy will meet you at the station. Het paar kan ook twee hele zinnen verbinden — zo klinken voorwaarden en ultimatums: Either you tell him, or I will. (‘Óf jij zegt het hem, óf ik doe het.’) Vóór het tweede deel staat dan een komma.

neither … nor ontkent allebei: het een klopt niet en het ander ook niet. Dit paar draagt zelf de ontkenning, en daarom is het werkwoord erna bevestigend: Neither Tom nor Anna has called. In het Nederlands is dat net zo: ‘noch Tom noch Anna heeft gebeld’ — er komt geen ‘niet’ bij. Maar in de spreektaal zeg je eerder ‘Tom heeft niet gebeld en Anna ook niet’, en wie zo denkt, voegt in het Engels makkelijk nog een not toe. Eén ontkenning — dat is de hoofdregel van dit onderwerp.

Met welk woord het werkwoord overeenkomt. Na either … or en neither … nor kijkt het werkwoord naar het onderwerp dat er het dichtst bij staat: Neither my brother nor my parents are at home. Either my parents or my sister is going to pick you up. In de spreektaal staat na neither … nor vaak ook bij twee enkelvoudige onderwerpen het meervoud — Neither Tom nor Anna have called; op papier is het enkelvoud veiliger.

Waar de voegwoorden staan. Elk voegwoord staat direct vóór zijn eigen deel, en de delen moeten van dezelfde soort zijn: twee zelfstandige naamwoorden, twee werkwoorden, twee bijwoordelijke bepalingen. She speaks both French and German. — na de voegwoorden twee talen. We can either take a taxi or walk. — na de voegwoorden twee handelingen. He neither called nor wrote. — hij heeft niet gebeld en niet geschreven.

Vergelijk neither … nor met een gewone ontkenning:

I don't like tea or coffee. gewone spreektaal
I like neither tea nor coffee. formeel en met nadruk

In alledaagse spraak zeg je ‘noch … noch’ meestal met een gewone ontkenning en or, en neither … nor bewaar je voor geschreven taal en voor gevallen waarin je wilt benadrukken: het een niet en het ander ook niet.

Hoe spreek je ze uit. either en neither klinken in het Britse Engels op twee manieren: /ˈaɪðə/ of /ˈiːðə/, /ˈnaɪðə/ of /ˈniːðə/. Beide zijn goed — kies er één en houd je daaraan. De voegwoorden zelf zijn onbeklemtoond; de klemtoon valt op wat ze verbinden: ‘both TOM and ANna’. Vóór het tweede deel pauzeer je kort, zodat de keuze of de opsomming hoorbaar is.

Meer voorbeelden:

Both the hotel and the restaurant were full. Zowel het hotel als het restaurant zat vol.
The flat is both cheap and close to the station. Het appartement is zowel goedkoop als dicht bij het station.
You can either call or send a message. Je kunt bellen of een bericht sturen.

Zo zeg je het niet. ✗ Neither the train nor the bus wasn't running → ✓ Neither the train nor the bus was running. De ontkenning zit al in neither … nor; een tweede is te veel.

Test jezelf. Hoe zeg je ‘noch Tom noch Anna is gekomen’? Welk werkwoord hoort in Both my sister and my brother ___ (live) in York? Wat klopt er niet aan She both speaks French and German?

toon de antwoorden
Neither Tom nor Anna came; live — na both … and staat het werkwoord altijd in het meervoud; both staat niet vóór zijn eigen deel: She speaks both French and German.
Advertentie

Oefeningen bij de lessen 1–5

35 min

1. Gemengde invuloefening.

  1. When I (arrive), the train (already / leave)
  2. I (lose) my wallet — hij is nog steeds weg
  3. I (work) here for five years — en ik werk er nu nog
  4. I (meet) the client at four — dat hebben we afgesproken
  5. By the time we (get) there, the shop (close)
  6. Your coat is wet. it (rain)?
  7. When you (buy) this jacket?
  8. The film (start) at eight — zo staat het in het programma
Toon de antwoorden
arrived / had already left; have lost; have been working / have worked; am meeting; got / had closed; Has / been raining; did / buy; starts

2. Foutopsporing.

  1. We had visited Rome ten years ago.
  2. When have you moved to this flat?
  3. I work here since March.
  4. I'm about to leave next week.
  5. I've been writing three letters today.
  6. By the time when we arrived, the film had started.
  7. Neither Tom nor Anna didn't come.
  8. She had went to bed before I got home.
Toon de antwoorden
We visited Rome ten years ago; When did you move to this flat?; I've worked here since March / I've been working here since March; I'm leaving next week / I'm going to leave next week; I've written three letters today; By the time we arrived, the film had started; Neither Tom nor Anna came; She had gone to bed before I got home

3. Maak er één zin van

  1. Tom is coming. + Anna is coming. (both)
  2. The train wasn't running. + The bus wasn't running. (neither)
  3. We can go on Monday. + We can go on Tuesday. (either)
  4. He didn't call. + He didn't write. (neither)
  5. The hotel was full. + The restaurant was full. (both)
Toon de antwoorden
Both Tom and Anna are coming; Neither the train nor the bus was running / Neither the train nor the bus were running; We can go either on Monday or on Tuesday / We can go on either Monday or Tuesday; He neither called nor wrote; Both the hotel and the restaurant were full

4. Koppeloefening.

  1. How long have you been waiting?
  2. When did you get here?
  3. Had you met him before?
  4. What are you doing tonight?
Toon de antwoorden
`How long have you been waiting?` — `About twenty minutes.`; `When did you get here?` — `At half past six.`; `Had you met him before?` — `No, that was the first time.`; `What are you doing tonight?` — `I'm seeing a friend.`

5. Omzetoefening.

  1. I started learning English three years ago. (for — en ik leer het nog steeds)
  2. They've closed the bridge. (vraag met when)
  3. I lost my keys. Then I couldn't get in. (één zin met because)
  4. I've decided to visit my sister next month. (going to)
  5. We arranged to meet Sam on Friday. (Present Continuous)
Toon de antwoorden
I've been learning English for three years; When did they close the bridge? / When did they close it?; I couldn't get in because I had lost my keys; I'm going to visit my sister next month; We're meeting Sam on Friday

6. Vertaal naar het Engels.

1) Toen we aankwamen, was de film al begonnen. 2) Ik wacht al een half uur op je! 3) Ben je ooit in Wales geweest? — Ja, ik ben er vorig jaar heen gegaan. 4) Ik denk dat het morgen koud wordt. 5) Noch Tom noch zijn broer spreekt Frans.

Toon de antwoorden
When we arrived, the film had already started; I've been waiting for you for half an hour!; Have you ever been to Wales? — Yes, I went there last year; I think it'll be cold tomorrow / I think it will be cold tomorrow; Neither Tom nor his brother speaks French / Neither Tom nor his brother speak French
Advertentie

Samenvatting

Behandeld

  • de lessen 1–5 in hun geheel en de paren both … and
  • either … or
  • neither … nor

Volgende: les 7 — wat ik op dat moment aan het doen zal zijn.

Einde van de kern

De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.

Les 79

optioneel

Miniproductie

Vertel hardop en schrijf daarna tien zinnen op: een keer dat je te laat kwam, met de voorgeschiedenis; wat je onlangs bent kwijtgeraakt of hebt gevonden; waar je de laatste tijd mee bezig bent en hoe lang al; wat je deze week van plan bent. Minstens één zin met both … and, either … or of neither … nor.

Checklist voor les 7:

  • staat bij de eerdere gebeurtenis had + derde vorm, en is er een latere naast?
  • het nieuws in de Present Perfect, de details in de Past Simple?
  • de duurvorm waar de bezigheid of de duur telt, de gewone vorm waar een aantal telt?
  • een afspraak met de Present Continuous, een dienstregeling met de Present Simple?
  • een besluit van nu en een belofte met will, be about to zonder tijdstip?
  • na neither … nor geen tweede not?
Het concept is opgeslagen op dit apparaat
Advertentie

Heb je een idee voor een functie?

Idee versturen
Advertentie
Advertentie