Precies over de toekomst praten
Ik kan uit vijf toekomstvormen de juiste kiezen en uitleggen waarom juist die.
Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.
Grammatica
15 minOp A2 had de toekomst drie vormen en één vraag om te kiezen: wanneer heb je het besloten (A2 #9)? Nu zijn het er vijf. De twee nieuwe zijn de Present Simple voor een dienstregeling en be about to voor wat over een minuut gebeurt. De vraag ‘wanneer besloten?’ blijft de belangrijkste, maar er komen nog twee bij: hangt het van ons af, en hoe dichtbij is het?
Vijf vormen en wat elke vorm zegt:
| vorm | wat hij zegt | voorbeeld |
|---|---|---|
| will | een beslissing op het moment van spreken, een belofte, een aanbod om te helpen, een mening over de toekomst | I'll help you with those bags. |
| be going to | een voornemen, eerder besloten; een voorspelling op grond van wat je nu ziet | Look at those clouds — it's going to rain. |
| Present Continuous | een afspraak: er zijn een tijd, een plaats, andere mensen | I'm meeting a client at four. |
| Present Simple | een dienstregeling, een programma, een agenda | The train leaves at 7.40. |
| be about to | zo meteen, over een minuut | Hurry up — the film is about to start. |
Meer over elke vorm.
will — een toekomst die nog niet in de plannen of in de agenda staat. Je besluit het nu: The phone's ringing. I'll get it. Je belooft iets: I won't tell anyone. Je verwacht iets: I think it'll be cold tomorrow. Bij I think, probably, I'm sure staat bijna altijd will.
be going to — het besluit zit al in je hoofd: We're going to paint the kitchen this summer. En een voorspelling met een zichtbare oorzaak: She's going to be late — she's still at home.
Present Continuous — hetzelfde voornemen, maar al afgesproken met anderen en in de agenda gezet: We're having dinner with Sam on Friday. Is er een kaartje, een afspraak of een reservering, dan is het de Present Continuous. Zonder tijdsaanduiding lees je deze vorm als ‘nu op dit moment’, en daarom zeg je bij een afspraak bijna altijd wanneer: tonight, on Friday, at four.
Present Simple — een toekomst die niet van ons afhangt: de dienstregeling van de trein, het begin van een film, een werkrooster. The museum opens at ten. My course starts on Monday.
be about to — ‘zo meteen’, zonder tijdstip: I'm about to leave — can I call you back?
Hoe kies je in een paar seconden. Stel jezelf de vragen op volgorde. Is er een dienstregeling of een programma? — Present Simple. Heb je met iemand afgesproken, zijn er een tijd en een plaats? — Present Continuous. Eerder besloten, of zie je tekenen? — going to. Besluit je het nu, beloof je iets of verwacht je het alleen maar? — will. Gebeurt het over een minuut? — be about to. De eerste vraag waarop het antwoord ‘ja’ is, geeft de vorm.
Drie paren om uit elkaar te houden:
| It'll rain tomorrow. — dat denk ik | It's going to rain. — ik zie wolken |
| I'll call Anna. — net besloten | I'm calling Anna at six. — afgesproken |
| The train leaves at 7.40. — dienstregeling | The train is leaving! — hij vertrekt nu |
going to of Present Continuous. Allebei gaan ze over iets wat vooraf besloten is. Het verschil is of je met iemand hebt afgesproken:
| I'm going to see a doctor. | Ik heb besloten naar de dokter te gaan, maar nog geen afspraak gemaakt. |
| I'm seeing the doctor at ten. | Ik heb een afspraak: de tijd staat vast. |
Bij de werkwoorden go en come zeg je meestal niet I'm going to go, maar gewoon I'm going to Spain in May — dat is korter, en de betekenis is dezelfde.
will of going to in een voorspelling. will — een mening of kennis over de toekomst: zo denk ik erover, zo gaat het meestal. going to — een conclusie uit wat je nu ziet:
| Don't worry, you'll pass the exam. | Ik geloof in je. |
| Careful! You're going to drop those plates. | Ik zie ze wegglijden. |
Present Simple of Present Continuous. Een dienstregeling hangt niet van ons af, een afspraak is van ons: The match starts at three — zo staat het in het programma; We're watching the match at Tom's — zo hebben we het afgesproken.
Eén verhaal — vijf vormen. Kijk hoe de vorm verandert terwijl het plan werkelijkheid wordt:
I need a holiday. I know — I'll go to Spain! ← besluit op dit moment I'm going to spend a week in Spain in May. ← besluit genomen, nog geen ticket I'm flying to Malaga on the third of May. ← ticket gekocht The flight leaves at 6.15. ← dienstregeling We're about to take off. ← over een minuut
Zo zeg je het niet. ✗ I'm about to leave tomorrow → ✓ I'm leaving tomorrow. be about to betekent ‘over een minuut’, en daar noem je geen tijdstip bij.
Test jezelf. Je ziet dat een kind op de fiets elk moment kan vallen. Wat zeg je — He'll fall of He's going to fall? Welke vorm hoort in My flight ___ (leave) at 6.15? Wat is het verschil tussen I'm going to see a doctor en I'm seeing the doctor at ten?
toon de antwoorden
Fouten van Nederlandstaligen
geschreven voor jouw taalDe tegenwoordige tijd voor je eigen plannen
‘Morgen ga ik naar de tandarts’, ‘Ik zie Anna om zes uur’ → Tomorrow I go to the dentist, I meet Anna at six zijn geen fouten, maar zo klinkt een regel uit een rooster, bijvoorbeeld als je je week uit je agenda opsomt. Over een eigen afspraak zeg je meestal ✓ I'm going to the dentist tomorrow, ✓ I'm meeting Anna at six. In het Nederlands is de tegenwoordige tijd voor de toekomst heel gewoon; de Engelse Present Simple klinkt dan als een dienstregeling, niet als jouw plan.
De tegenwoordige tijd voor een aanbod of een besluit van nu
‘Wacht, ik help je!’ → ✗ Wait, I help you! → ✓ Wait, I'll help you! Zo ook in het korte antwoord: ‘Kom je op mijn feestje? — Ja, ik kom.’ → ✗ Yes, I come. → ✓ Yes, I will. Wat je op het moment van spreken besluit, aanbiedt of belooft, krijgt will.
‘Het gaat regenen’ zonder to
✗ It's going rain this afternoon
✓ It's going to rain this afternoon
In het Nederlands volgt het hele werkwoord direct op ‘gaan’. In het Engels zijn beide stukken nodig: be vóór going en to erna.
Uitspraak
4 mingoing to in snelle spraak — /ˈɡənə/ (terug naar A1 #32): I'm going to call her klinkt als /aɪm ˈɡənə ˈkɔːl hə/. Je hoeft gonna niet te schrijven, maar je moet het wel herkennen als je het hoort.
will krimpt in een bevestigende zin tot /l/: I'll /aɪl/, we'll /wiːl/, it'll /ˈɪtl/. Beklemtoond en vol klinkt het in het korte antwoord: Yes, I will.
won't en want verschillen in de klinker: won't /wəʊnt/ — zoals in go; want /wɒnt/ — een korte o, zoals in ‘pot’. I won't go — ‘ik ga niet’, I want to go — ‘ik wil gaan’. Verwar je ze, dan zeg je het tegenovergestelde.
Tekst
5 minWhat are you doing on Friday?
I'm meeting a client at four — we arranged it last week. After that I'm free. The office closes early on Fridays.
Great. Emma and I are going to look at a flat on Saturday morning. Do you want to come? You're good at spotting problems.
I'd love to. What time?
The agent hasn't confirmed yet. She's going to send me the address this evening.
OK. I'll come if I'm not too tired. Text me the time later.
I will. And the forecast says it'll be sunny, so we're going to have lunch in the park afterwards.
Have you looked at the sky? Look at those clouds. It's going to rain any minute.
Then let's hurry. The last bus leaves at ten past six, and it's six o'clock now.
Wait — my phone's ringing. It's the agent. I think she's about to tell us the time.
Oefeningen
30 min1. Meerkeuze.
- Look at those clouds — it (rain)
- I (meet) the client at four — we arranged it last week
- According to the timetable, the train (leave) at 7.40
- Hurry — the film (start) — zo meteen
- The phone's ringing. I (get) it
- We (paint) the kitchen this summer — we've already bought the paint
Toon de antwoorden
2. Meerkeuze.
- — There's no milk. — Really? I (get) some on the way home
- — Why are you putting your coat on? — I (buy) some milk. I decided an hour ago
- The sky's completely black. There (be) a storm
- I'm sure you (love) this film
- — I can't open this jar. — Give it to me. I (do) it
Toon de antwoorden
3. Foutopsporing.
- Wait, I help you with the bags.
- I'm about to leave tomorrow.
- It's going rain this afternoon.
- Will you come to my party? — Yes, I come.
- She's about to arriving.
Toon de antwoorden
4. Koppeloefening.
- net besloten
- afgesproken
- dienstregeling
- ik zie tekenen
- zo meteen
Toon de antwoorden
5. Herschrijf voor de situatie tussen haakjes.
- I meet Anna at six. (afgesproken)
- It will rain. (er zijn wolken te zien)
- I'm going to answer the phone. (net besloten: de telefoon gaat)
- The film will start at eight. (volgens het programma van de bioscoop)
- I'm leaving. (zo meteen, over een minuut)
Toon de antwoorden
6. Maak van de hint een antwoord
- Are you free on Saturday? (no / I / meet / my parents — afgesproken)
- What time is your train? (it / leave / at 8.15)
- What are your plans for the summer? (I / learn / to drive — besloten)
- I'm so thirsty. (I / get / you some water — nu besloten)
- Why are you running? (the shop / close — zo meteen)
Toon de antwoorden
7. Beantwoord de vragen over je plannen
in volledige zinnen. De antwoorden hieronder zijn een voorbeeld. 1) What are you doing this weekend? 2) What are you going to do after this course? 3) What time does your working day start tomorrow?
Toon de antwoorden
8. Vertaal naar het Engels.
1) De trein vertrekt om 7.40 uur. 2) Ik denk dat je deze film leuk zult vinden. 3) Pas op, het valt zo meteen! 4) Vrijdag hebben we met Sam afgesproken.
Toon de antwoorden
Samenvatting
Behandeld
- vijf toekomstvormen en de vraag waarmee je elke vorm kiest
- de paren will — going to
- going to — Present Continuous
- dienstregeling — afspraak
- won't tegenover want
Volgende: les 6 — herhaling van de lessen 1–5.
Einde van de kern
De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.
optioneel
Woordenschat voor de kaartenset
15 woorden- client /ˈklaɪənt/ klant, cliënt
- arrange /əˈreɪndʒ/ afspreken, regelen
- agent /ˈeɪdʒənt/ makelaar, tussenpersoon
- confirm /kənˈfɜːm/ bevestigen
- forecast /ˈfɔːkɑːst/ weersverwachting
- cloud /klaʊd/ wolk
- be about to /bi əˈbaʊt tə/ op het punt staan (om)
- afterwards /ˈɑːftəwədz/ daarna, naderhand
- text /tekst/ een berichtje sturen
- spot /spɒt/ opmerken, zien
- hurry /ˈhʌri/ zich haasten, opschieten
- any minute /ˌeni ˈmɪnɪt/ elk moment
- dentist /ˈdentɪst/ tandarts
- storm /stɔːm/ onweer, storm
- take off /ˌteɪk ˈɒf/ opstijgen
Schrijven
Zes zinnen over de komende week: één afspraak, één voornemen, één voorspelling op grond van tekenen, één dienstregeling en één besluit dat je nu neemt.
Voorbeeld
I'm meeting a client on Friday at four. We're going to look at a new flat on Saturday. The office closes at three on Fridays, so I'll have time to get ready. Look at the sky — it's going to rain all weekend. Oh, and I've just remembered — it's Anna's birthday on Sunday. I'll buy her a present tomorrow.
Checklist
Oefen deze les in de andere secties
Heb je een idee voor een functie?
⚑ optioneel