Een vermoeden uitspreken
Ik kan een vermoeden uitspreken over wat er aan de hand is, en aangeven hoe zeker ik ben.
Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.
Grammatica
15 minDeze werkwoorden ken je al in een andere betekenis: must — verplichting (A2 #10), can — kunnen (A1 #20), could — een beleefd verzoek (A2 #17). Ze hebben ook een tweede betekenis: ze laten horen hoe zeker de spreker van zijn vermoeden is. Licht achter het raam, een auto voor het huis, iemand die niet opneemt — en we trekken een conclusie.
De schaal van zekerheid:
| hoe zeker | voorbeeld | |
|---|---|---|
| is | ik weet het zeker | He is at home — I can see him. |
| must | vrijwel zeker wel | He must be at home — his car is outside. |
| may / might / could | misschien wel | He might be at the gym. |
| may not / might not | misschien niet | He might not be at home. |
| can't | vrijwel zeker niet | He can't be at work — it's Sunday. |
| isn't | ik weet zeker van niet | He isn't here. |
De vorm. Na een modaal werkwoord volgt de grondvorm zonder to, en het modale werkwoord zelf krijgt geen -s: She must be tired, He might know. Gaat het vermoeden over iets wat nu aan de gang is, dan be + -ing: He must be working late — the light's on in his office. They might be waiting for us outside.
Hoe kies je.
must — een conclusie uit aanwijzingen: ik heb de feiten op een rij gezet en zie geen andere verklaring. De aanwijzing noem je er meestal bij: You must be hungry — you haven't eaten all day. Maar must is niet ‘zeker’. Weet je het zeker, dan heb je geen modaal werkwoord nodig: He's at home — I've just spoken to him. must zegt ‘dat concludeer ik’, en de ander hoort dat het een conclusie is, geen feit. In het Nederlands doen woordjes als ‘vast’ en ‘zal wel’ dat werk (‘hij is vast thuis’, ‘hij zal wel moe zijn’); in het Engels doet het werkwoord het zelf.
may, might, could — een van de mogelijke verklaringen, en ik weet niet of die klopt. Tussen de drie is bijna geen verschil: might is iets minder zeker, may iets formeler, could betekent ‘het zou best kunnen’: It could be a virus.
can't — de conclusie ‘nee’: de feiten maken de verklaring onmogelijk. That can't be Tom — he's in Spain this week. Het Nederlands zegt het net zo: ‘dat kan Tom niet zijn’.
De ontkenning is can't, niet mustn't. mustn't is een verbod (A2 #10): You mustn't park here. Voor ‘vrijwel zeker niet’ zeg je in het Britse Engels can't. En might not is een zacht ‘misschien niet’: She might not know about the meeting.
De vraag. In een vraag naar een vermoeden gebruik je could of can: Could it be a mistake? — ‘Zou het een fout kunnen zijn?’ Who can that be? — ‘Wie zou dat kunnen zijn?’ Met must en might maak je zulke vragen bijna nooit.
must — vermoeden of verplichting? Kijk naar het werkwoord erna. Met be, know, have in de betekenis ‘hebben’ en met de duurvorm is must bijna altijd een vermoeden. Met een handeling is het een verplichting:
| You must be tired. | Je bent vast moe. — vermoeden |
| You must go to bed. | Je moet naar bed. — verplichting |
maybe en may be. maybe is één woord, een bijwoord, en staat meestal vooraan: Maybe he's at home. may be zijn twee woorden, het modale werkwoord en be, en die staan na het onderwerp: He may be at home. De betekenis is dezelfde, maar je schrijft ze anders.
Meer voorbeelden:
| That must be the postman. | Dat is vast de postbode. |
| She might be in a meeting. | Misschien zit ze in een vergadering. |
| This can't be our bus — ours is number twelve. | Dit kan onze bus niet zijn. |
| He must know the answer — he's a doctor. | Hij weet vast het antwoord. |
| You could be right. | Misschien heb je gelijk. |
Zo zeg je het niet. ✗ He mights be ill → ✓ He might be ill. Een modaal werkwoord verandert niet per persoon en krijgt nooit een -s.
Test jezelf. De auto van de buurman staat voor de deur, en er brandt licht. Wat zeg je: He must be at home of He might be at home? Hoe zeg je ‘dat kan niet waar zijn’? Wat is het verschil tussen Maybe she's ill en She may be ill?
toon de antwoorden
Fouten van Nederlandstaligen
geschreven voor jouw taal‘Het kan zijn dat…’ met can
‘Het kan zijn dat hij ziek is’ → ✗ It can be that he's ill → ✓ He might be ill / Maybe he's ill; ‘Hij kan in de sportschool zijn’ → ✗ He can be at the gym → ✓ He might be at the gym. Het Nederlandse ‘kan’ drukt ook in een bevestigende zin een mogelijkheid uit. In een vermoeden over een concrete situatie staat can in het Engels alleen in de ontkenning (can't) en in een vraag (Who can that be?). Voor ‘misschien wel’ neem je might, may of could: ✓ It could be a mistake.
Het werkwoord vóór het onderwerp na maybe
‘Misschien is hij nog op zijn werk’ → ✗ Maybe is he still at work → ✓ Maybe he's still at work / He may still be at work. In het Nederlands schuift het werkwoord na ‘misschien’ naar voren, vóór het onderwerp. In het Engels blijft ook na maybe de gewone volgorde: eerst het onderwerp, dan het werkwoord. Met is he vooraan wordt het een vraag.
Een vermoeden zonder duurvorm
‘Hij zit vast nog te werken — er brandt licht’ → ✗ He must work late — the light's on → ✓ He must be working late — the light's on. In het Nederlands is ‘aan het … zijn’ of ‘zitten te’ niet verplicht, en daarom valt de duurvorm makkelijk weg. Maar must met een gewone handeling hoort een Engelstalige als verplichting: ‘hij moet overwerken’. Gaat het vermoeden over wat er nu gebeurt, dan must be + -ing.
Uitspraak
4 minDe klemtoon valt op het modale werkwoord: dat draagt de betekenis van het vermoeden. He MUST be at home, That CAN'T be right, She MIGHT be ill. be erna is onbeklemtoond en kort — /bi/.
must be — /ˈmʌs bi/: de /t/ tussen /s/ en /b/ valt weg. Net zo must know /ˈmʌs nəʊ/.
can't in een vermoeden is vol en lang — /kɑːnt/. De /t/ aan het eind verdwijnt vóór een medeklinker bijna, en dan onderscheid je can't van can alleen aan de lange /ɑː/ en de klemtoon (A1 #20). might be — /ˈmaɪt bi/: de /t/ ontploft niet, maar breekt de klinker alleen af.
Tekst
5 minHave you seen Tom this morning?
No, but he must be somewhere in the building. His coat's on his chair, and his computer is on.
And his coffee is still warm. He can't be far away.
He might be in the meeting room. The managers meet there on Thursdays.
It can't be the managers' meeting. That always starts at ten, and it's only half past nine.
Then he could be at the coffee machine. Or he may be down in IT — his laptop stopped working yesterday.
Wait, his phone's here too. He never goes anywhere without his phone. He must be very close.
Listen. Can you hear that? Somebody's singing in the kitchen.
That can't be Tom. He hates singing.
Hang on — isn't it his birthday today? Maybe they're singing to him.
Of course! That must be why there's a cake on the kitchen table. They must be waiting for us. Come on!
Oefeningen
30 min1. Invuloefening.
- His car is outside, so he be at home. (vrijwel zeker wel)
- That be right — the bill says £300 for two coffees. (vrijwel zeker niet)
- She isn't answering. She be in a meeting. (misschien)
- You've been working for ten hours. You be exhausted. (vrijwel zeker wel)
- This be Anna's bag — it has her name on it. (vrijwel zeker wel)
- He be at work — it's Sunday, and his office is closed. (vrijwel zeker niet)
- Take an umbrella. It rain later. (misschien)
- They be asleep — the lights are on, and I can hear music. (vrijwel zeker niet)
- Listen to her accent. She be from Scotland. (vrijwel zeker wel)
- I'm not sure where Lucy is. She be in the library. (misschien)
Toon de antwoorden
2. Herschrijf met een modaal werkwoord.
- I'm sure he's at home.
- Perhaps she's ill.
- I'm sure it isn't true.
- Perhaps they know the answer.
- I'm sure you're tired after the flight.
- I'm sure that isn't our train — ours leaves at six.
- Perhaps he doesn't know about the party.
Toon de antwoorden
3. Maak van de hint een vermoeden
- The light is on in his office. (he / must / work / late)
- She isn't answering her phone. (she / might / drive)
- I can hear water in the bathroom. (someone / must / have / a shower)
- They aren't in the classroom. (they / could / wait / outside)
Toon de antwoorden
4. Foutopsporing.
- May be he's still at work.
- She must to be tired after the trip.
- He mights be at the gym.
- It maybe a mistake.
- That can't is Tom — he's in Spain.
Toon de antwoorden
5. Koppeloefening.
- She's yawning.
- People are carrying umbrellas.
- Nobody's answering the door.
- The shop is dark.
- He knows everything about cars.
Toon de antwoorden
6. Spreek drie vermoedens uit met een verschillende zekerheid
over elke situatie. De antwoorden hieronder zijn een voorbeeld. 1) Een collega is niet op zijn werk gekomen en neemt de telefoon niet op. 2) In de woning boven je bonkt al een uur iets.
Toon de antwoorden
7. Vertaal naar het Engels.
1) Hij is vast thuis — zijn auto staat voor de deur. 2) Dat kan niet waar zijn. 3) Misschien zit ze in een vergadering. 4) Ze staan vast buiten op ons te wachten. 5) Je bent vast moe na de vlucht.
Toon de antwoorden
Samenvatting
Behandeld: de schaal van zekerheid must — may, might, could — can't, een vermoeden over wat nu aan de gang is (must be doing), de ontkenning met can't en might not, de vraag met could, must als vermoeden en als verplichting, maybe tegenover may be. Volgende: les 11 — verplichting en kunnen.
Einde van de kern
De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.
optioneel
Woordenschat voor de kaartenset
16 woorden- somewhere /ˈsʌmweə/ ergens
- far away /ˌfɑːr əˈweɪ/ ver weg
- meeting room /ˈmiːtɪŋ ruːm/ vergaderruimte
- warm /wɔːm/ warm
- hang on /ˌhæŋ ˈɒn/ wacht even, momentje
- cake /keɪk/ taart, gebakje
- postman /ˈpəʊstmən/ postbode
- mistake /mɪˈsteɪk/ fout
- bill /bɪl/ rekening
- exhausted /ɪɡˈzɔːstɪd/ uitgeput, doodop
- asleep /əˈsliːp/ in slaap
- accent /ˈæksənt/ accent
- yawn /jɔːn/ gapen
- mechanic /məˈkænɪk/ monteur
- stuck in traffic /ˌstʌk ɪn ˈtræfɪk/ vast in het verkeer, in de file
- gym /dʒɪm/ sportschool
Schrijven
Vijf à zes zinnen: je komt thuis, de deur is niet op slot, op tafel staat een tas die niet van jou is, in de keuken speelt muziek. Spreek vermoedens uit met een verschillende zekerheid.
Voorbeeld
The door is open, and there's music in the kitchen. Someone must be at home. It can't be my flatmate — she's in Paris this week. It might be my brother; he has a key. This bag on the table must be his — it's the same colour as his old one. He could be cooking: I can smell onions. Or he might be waiting to surprise me.
Checklist
Oefen deze les in de andere secties
Heb je een idee voor een functie?
⚑ optioneel