Vertellen wat er vóór iets anders gebeurde
Ik kan laten zien dat een gebeurtenis in het verleden eerder plaatsvond dan een andere.
Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.
Grammatica
15 minOp A2 vertelde je over het verleden met twee tijden: de Past Simple — wat er gebeurde (A2 #1), de Past Continuous — wat er op dat moment aan de gang was (A2 #2). Dat is genoeg zolang de gebeurtenissen op volgorde komen. Maar een verhaal doet vaak een stap terug: ‘ik kwam op het station aan — en de trein was al vertrokken’. Voor zo'n stap heeft het Engels een aparte tijd — de Past Perfect, in het Nederlands de voltooid verleden tijd.
De vorm: had + derde vorm van het werkwoord — dezelfde als in de Present Perfect (A2 #3). had is voor alle personen gelijk; uitgangen zoals in ‘hadden’ zijn er niet.
| bevestiging | I had finished. → I'd finished. |
| ontkenning | She hadn't seen it. (hadn't = had not) |
| vraag | Had you met him before? |
| kort antwoord | Yes, I had. / No, I hadn't. |
De afkorting 'd bestaat ook van would — je kent hem uit I'd like (A2 #17). Je onderscheidt ze makkelijk aan het volgende woord: na had komt de derde vorm (I'd finished), na would de grondvorm (I'd like). Bij het werkwoord have zelf ziet de Past Perfect eruit als had had: We had had dinner, so we weren't hungry. Dat is geen tikfout: de eerste had is het hulpwerkwoord, de tweede de derde vorm van have — zoals ‘had gehad’ in het Nederlands.
Ontkenning en vraag. De ontkenning — hadn't + derde vorm, zonder enige did: I hadn't seen him for years. Een vraag maak je net als in de Present Perfect, alleen staat er had in plaats van have: Had you eaten? Met een vraagwoord komt had er direct achter: Why had she left so early? Where had they gone? In een kort antwoord herhaal je de derde vorm niet: Yes, I had, No, she hadn't.
Wanneer gebruik je hem. De Past Perfect kijkt altijd terug vanuit een moment in het verleden. Dat moment — laten we het het vertelpunt noemen — staat er meestal vlak bij, in de Past Simple.
Eerste geval — de ene gebeurtenis vond plaats vóór de andere: When I got to the station, the train had left. Eerst vertrok de trein, daarna kwam ik.
Tweede geval — de oorzaak van wat daarna kwam: She couldn't get in because she had lost her keys. De sleutels was ze al eerder kwijtgeraakt, daarom ging de deur niet open.
Derde geval — ervaring tot een moment in het verleden: I had never seen the sea before that summer. Dat is hetzelfde als de Present Perfect voor ervaring (A2 #4), alleen tel je niet tot ‘nu’, maar tot ‘die zomer’.
Daaruit volgt een korte regel: de Present Perfect verbindt het verleden met het heden, de Past Perfect een vroeger verleden met een later.
Vergelijk. Eén vorm verandert de volgorde van de gebeurtenissen:
| When I arrived, the train left. | Ik kwam aan en de trein vertrok: ik zag hem wegrijden. |
| When I arrived, the train had left. | De trein was al eerder vertrokken: ik was te laat. |
Als de gebeurtenissen verteld worden in de volgorde waarin ze gebeurden, is de Past Perfect niet nodig: I got up, had a shower and left the house. De volgorde is zo al duidelijk. De voltooid verleden tijd heb je nodig waar het verhaal teruggaat.
already, just, never, ever, yet. Ze staan op dezelfde plaats als in de Present Perfect (A2 #3, A2 #4): tussen had en de derde vorm, en yet aan het eind van de zin.
| The film had already started. | De film was al begonnen. |
| She had just left. | Ze was net vertrokken. |
| I had never seen snow before. | Ik had nog nooit sneeuw gezien. |
| Had you ever been there before? | Was je daar al eens eerder geweest? |
| They hadn't finished yet. | Ze waren nog niet klaar. |
Bij never en ever zet je vaak before aan het eind: het herinnert eraan dat je niet telt vanaf vandaag, maar vanaf een moment in het verleden.
‘Voor het eerst’: It was the first time… Na deze wending komt de Past Perfect: It was the first time I had flown. — ‘Ik vloog toen voor het eerst’. Net zo na een overtreffende trap met ever: It was the best meal I had ever eaten. In het Nederlands staat hier meestal de gewone verleden tijd (‘het was de eerste keer dat ik vloog’), maar het Engels telt de ervaring tot dat moment — vandaar de Past Perfect. In de tegenwoordige tijd is het schema hetzelfde, maar met de Present Perfect: It's the first time I've been here. In gesprekken hoor je ook It was the first time I flew, maar de norm is de Past Perfect.
Meer voorbeelden:
| By nine o'clock everyone had gone home. | Om negen uur was iedereen al naar huis gegaan. |
| I didn't recognise him — he had grown a beard. | Ik herkende hem niet: hij had een baard laten staan. |
| We hadn't eaten all day, so we were very hungry. | We hadden de hele dag niets gegeten. |
Zo zeg je het niet. ✗ Did you had seen it before? → ✓ Had you seen it before? De vraag maakt had zelf; did is hier overbodig.
Test jezelf. Welke gebeurtenis was eerder: When we got home, the guests had left? Waar is het had en waar would: I'd finished, I'd like? Hoe zeg je ‘Ik zag toen voor het eerst de zee’?
toon de antwoorden
Fouten van Nederlandstaligen
geschreven voor jouw taalwas in plaats van had
‘De trein was al vertrokken’ → ✗ The train was already left → ✓ The train had already left. In het Nederlands krijgen ‘vertrekken’, ‘gaan’ en ‘komen’ in de voltooid verleden tijd ‘was’. Het Engels gebruikt altijd had, bij elk werkwoord: ✓ She had gone home, The guests had arrived.
‘De eerste keer dat ik … zag’
It was the first time I saw the sea hoor je ook, maar de norm is ✓ It was the first time I had seen the sea. In het Nederlands staat hier de gewone verleden tijd, en die neem je makkelijk mee. Het Engels telt de ervaring tot dat moment en kiest daarom de Past Perfect; zo ook ✓ It was the best meal I had ever eaten.
Het werkwoord aan het eind van de bijzin
‘…omdat ze haar sleutels verloren had’ → ✗ She couldn't get in because she her keys had lost → ✓ She couldn't get in because she had lost her keys. In een Nederlandse bijzin schuiven de werkwoorden naar het eind, en vooral in lange zinnen glipt die volgorde mee. In het Engels blijft ook na because, when en before de gewone volgorde: onderwerp, had, derde vorm, de rest.
Uitspraak
4 minhad is in een bevestigende zin onbeklemtoond: /həd/, en na een voornaamwoord gewoon /d/. I'd finished klinkt als /aɪd ˈfɪnɪʃt/ — bijna als I finished /aɪ ˈfɪnɪʃt/: de /d/ vóór een medeklinker hoor je nauwelijks.
Let bij het luisteren daarom op het hoofdwerkwoord als het onregelmatig is: I'd gone tegenover I went, she'd seen tegenover she saw. Dezelfde truc werkt bij de Present Perfect (A2 #20).
In de ontkenning en in een kort antwoord is had beklemtoond en volledig: I hadn't seen it /ˈhædnt/, Yes, I had /hæd/.
had had spreek je uit zonder te haperen: We'd had dinner /wiːd hæd ˈdɪnə/. De eerste had is zwak en smelt samen met het voornaamwoord, de tweede is het hoofdwerkwoord en klinkt volledig.
Tekst
5 minLast spring I nearly missed my best friend's wedding. It was in a small village in Wales, and I had booked a train for Saturday morning. I had checked the timetable twice the night before, so I felt calm.
When I got to the station at ten past eight, the platform was empty. The train had already left. The company had changed the timetable a week earlier, but nobody had told me — the email had gone into my spam folder.
I phoned my friend. She didn't answer because she had switched off her phone for the day. In the end her brother picked me up and drove me to the village. We arrived at the church just as the music started. Most of the guests had already sat down, and my friend's mother was looking at the door nervously.
Later, at dinner, I told the story to the whole table. Everyone laughed, and this time I laughed too. It was the first time I had ever been late for a wedding — and I had never felt so stressed in my life.
Oefeningen
30 min1. Invuloefening.
- When I (get) to the station, the train (already / leave)
- She (can't) get in because she (lose) her keys
- I (never / see) the sea before that summer
- The police (arrive) at nine, but the thieves (escape) an hour earlier
- We (not / eat) all day, so we (be) very hungry
- I (not / recognise) him because he (grow) a beard
- When we (open) the door, we saw that somebody (break) the window
- you (meet) her before the party?
Toon de antwoorden
2. Foutopsporing.
- I had lived in Spain many years ago.
- She had went home before I arrived.
- I had finished already the report when she called.
- When we arrived, the film has already started.
- Did she had left when you arrived?
- Had you saw that film before?
Toon de antwoorden
3. Maak er één zin van
- I lost my keys. + I couldn't get in. (because)
- She finished the report. + She went home. (after)
- The film started. + We arrived at the cinema. (when)
- I didn't sleep well. + I felt terrible all day. (because)
- He forgot his passport. + He missed the flight. (because)
Toon de antwoorden
4. Vul already, just, never, ever of yet in.
- When I called, she had left — letterlijk een minuut geleden
- By ten o'clock I had finished all my work — eerder dan ik dacht
- I had eaten sushi before that evening — geen enkele keer
- Had you been to Wales before that trip?
- He hadn't finished his dinner when the taxi arrived
Toon de antwoorden
5. Omzetoefening.
- She had lost her keys. (what)
- They had left before midnight. (why)
- You had seen the sea before. (ja/nee-vraag)
- He had worked in a hotel for a year. (where)
- You had been to London before. (ever)
Toon de antwoorden
6. Herschrijf met It was the first time…
- I had never flown before.
- She had never seen snow before.
- They had never been to Scotland before.
Toon de antwoorden
7. Beantwoord in volledige zinnen
— over jezelf. De antwoorden hieronder zijn een voorbeeld. 1) Had you ever been abroad before you were eighteen? 2) What had you done today before you sat down for this lesson? 3) Had you heard of this course before you started it?
Toon de antwoorden
8. Vertaal naar het Engels.
1) Toen we aankwamen, was de winkel al gesloten. 2) Ik herkende haar niet: ze had haar haar laten knippen. 3) Vóór die reis had ik nog nooit gevlogen. 4) Hij kon niet betalen, omdat hij zijn portemonnee thuis had laten liggen. 5) Ik zag toen voor het eerst sneeuw.
Toon de antwoorden
Samenvatting
Behandeld: de Past Perfect in alle vormen, het vertelpunt en de stap terug vanaf dat punt, 'd als had of would, already, just, never, ever, yet met de Past Perfect, It was the first time I had…. Volgende: les 2 — een verhaal met een voorgeschiedenis.
Einde van de kern
De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.
optioneel
Woordenschat voor de kaartenset
14 woorden- wedding /ˈwedɪŋ/ bruiloft
- village /ˈvɪlɪdʒ/ dorp
- book /bʊk/ boeken, reserveren
- timetable /ˈtaɪmteɪbl/ dienstregeling
- platform /ˈplætfɔːm/ perron
- switch off /ˌswɪtʃ ˈɒf/ uitzetten
- pick up /ˌpɪk ˈʌp/ ophalen (met de auto)
- guest /ɡest/ gast
- nervously /ˈnɜːvəsli/ nerveus (bijwoord)
- in the end /ɪn ði ˈend/ uiteindelijk
- the night before /ðə naɪt bɪˈfɔː/ de avond ervoor
- recognise /ˈrekəɡnaɪz/ herkennen
- beard /bɪəd/ baard
- escape /ɪˈskeɪp/ ontsnappen
Schrijven
Vijf à zes zinnen over een keer dat je ergens te laat kwam of dat er iets misging. Minstens twee keer de Past Perfect, één keer It was the first time… of never … before.
Voorbeeld
Last winter I missed an important exam. I had set two alarms, but my phone had switched itself off in the night. When I woke up, the exam had already started. I ran all the way to the university, but the teacher didn't let me in. It was the first time I had missed an exam, and I had never felt so stupid.
Checklist
Oefen deze les in de andere secties
Heb je een idee voor een functie?
⚑ optioneel