Lastig punt ~45 min van de kern over

Herhaling 3 (lessen 13–17)

Start de les Kern 45 min · stappen: 3 · optioneel: +1

Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.

Lastig punt

10 min

In B1 #17 verbond whose twee zinnen: the man whose car was stolen. Hetzelfde woord opent ook een vraag — ‘van wie?’, ‘wiens?’. Het Nederlands vraagt meestal met ‘van wie’; ‘wiens’ bestaat ook, maar klinkt formeel. In het Engels is whose het gewone woord, in elke situatie, en het heeft één vorm voor alles.

De vorm. Meestal staat whose samen met een zelfstandig naamwoord, en die combinatie gedraagt zich als één vraagwoord:

Whose bag is this? Van wie is deze tas?
Whose keys are these? Van wie zijn deze sleutels?
Whose idea was it? Van wie was het idee?
Whose turn is it? Wie is er aan de beurt?

Is uit de situatie al duidelijk waarover het gaat, dan kan het zelfstandig naamwoord weg: Whose is this? — ‘Van wie is dit?’, Whose are these? — ‘Van wie zijn deze?’. De volgorde Whose is this bag? kan ook, maar Whose bag is this? klinkt gewoner.

Wanneer gebruik je het? Het vaakst als je uitzoekt van wie de spullen zijn: na een feestje liggen er sleutels op tafel, op kantoor gaat de telefoon van iemand anders, in de gang hangt een onbekende jas. Het tweede gewone geval is de beurt en de verantwoordelijkheid: Whose turn is it to cook? — ‘Wie moet er vandaag koken?’, Whose fault is it? — ‘Wie heeft de schuld?’. Let op: waar het Nederlands vaak met ‘wie’ vraagt, vraagt het Engels hier naar de beurt of de schuld van wie: whose turn, whose fault. Zo ook Whose side are you on? — ‘Aan wiens kant sta jij?’.

De vraag met whose en de bijzin met whose — één woord met twee taken. In een vraag staat het vooraan en vraagt het iets: Whose car is outside? In een bijzin staat het na een zelfstandig naamwoord, vraagt het niets en beschrijft het: the neighbour whose car is outside. De woordvolgorde verraadt welke taak het heeft: in een vraag opent whose de zin, in een bijzin staat ervoor degene over wie het gaat.

Met andere werkwoorden geldt dezelfde regel als bij what + zelfstandig naamwoord. Is whose + zelfstandig naamwoord het onderwerp, dan is do niet nodig: Whose phone is ringing? Is het het lijdend voorwerp, dan is er een hulpwerkwoord nodig, zoals in elke vraag: Whose car did you borrow? Whose house are you staying at?

Hoe antwoord je? Met een bezittelijk voornaamwoord of met een naam + 's:

— Whose bag is this? — It's mine. Van mij.
— Whose keys are these? — They're Tom's. Van Tom.
— Whose turn is it? — Yours. Jij bent aan de beurt.

mine, yours, his, hers, ours, theirs staan zonder zelfstandig naamwoord; met een zelfstandig naamwoord — my, your, her: It's my bag = It's mine.

In de indirecte rede krijgt een vraag met whose de gewone woordvolgorde, zoals elke vraag in B1 #15: "Whose coat is this?" → She asked whose coat it was.

Niet verwarren met who's. Dat is de afkorting van who is of who has, en het klinkt precies hetzelfde — /huːz/:

Whose coat is this? Van wie is deze jas?
Who's coming tonight? Wie komt er vanavond? (who is)
Who's taken my pen? Wie heeft mijn pen gepakt? (who has)

De toets is dezelfde als bij its en it's in A2 #33: schrijf de apostrof voluit. Krijg je who is of who has, dan schrijf je who's. Lukt dat niet — whose.

Zo zeg je het niet. ✗ Who's bag is this? → ✓ Whose bag is this? Op het gehoor is er geen fout, op schrift zie je hem meteen. ✗ Of who is this bag? → ✓ Whose bag is this? ‘Van wie’ vertaal je niet woord voor woord: het Engels vraagt met whose + zelfstandig naamwoord.

Test jezelf. Hoe vraag je ‘Van wie is deze auto?’ Wat schrijf je in ___ going to drive? — whose of who's? Hoe antwoord je dat de sleutels van Anna zijn?

toon de antwoorden
Whose car is this?; who's — voluit who is going to drive; They're Anna's.
Advertentie

Oefeningen bij de lessen 13–17

35 min

1. Gemengde invuloefening.

  1. The bridge (build) in 1890
  2. The road (repair) at the moment
  3. I (my hair / cut) yesterday — bij de kapper
  4. She said she (be) tired
  5. She suggested (go) by train
  6. Prices have (rise) again
Toon de antwoorden
was built; is being repaired; had my hair cut / got my hair cut; was; going; risen

2. Vul whose of who's in.

  1. phone is ringing?
  2. going to drive tonight?
  3. I don't know idea it was
  4. seen my glasses?
Toon de antwoorden
Whose; Who's; whose; Who's

3. Foutopsporing.

  1. It was build in 1890.
  2. What was happened?
  3. I let my car repaired.
  4. He asked where did I live.
  5. She told me don't be late.
  6. He suggested to go by train.
  7. My brother, that lives in Italy, is a doctor.
  8. Who's bag is this?
Toon de antwoorden
It was built in 1890; What happened?; I had my car repaired / I got my car repaired; He asked where I lived; She told me not to be late; He suggested going by train / He suggested that we should go by train; My brother, who lives in Italy, is a doctor; Whose bag is this?

4. Omzetoefening.

  1. Someone has stolen my bike. (lijdende vorm)
  2. They are building a new school here. (lijdende vorm)
  3. A mechanic repaired my car. (ik heb hem laten repareren — have)
  4. "I'm working from home today." (Anna said; je geeft het een week later door)
  5. "Are you free on Friday?" (he asked me)
  6. "Don't touch anything." (the guide told the children)
  7. Tom said, "I'll help you with the boxes." (offer)
  8. I met a woman. Her daughter is a pilot. (whose)
Toon de antwoorden
My bike has been stolen; A new school is being built here; I had my car repaired / I got my car repaired; Anna said she was working from home that day / Anna said that she was working from home that day; He asked me if I was free on Friday / He asked me whether I was free on Friday; The guide told the children not to touch anything; Tom offered to help me with the boxes; I met a woman whose daughter is a pilot

5. Koppeloefening.

  1. Whose keys are these?
  2. Who's coming tonight?
  3. Who's taken my pen?
  4. Whose turn is it?
Toon de antwoorden
`Whose keys are these?` — `They're mine.`; `Who's coming tonight?` — `Tom and Anna.`; `Who's taken my pen?` — `I have. Sorry!`; `Whose turn is it?` — `Yours.`

6. Vertaal naar het Engels.

1) In de trein is mijn telefoon gestolen. 2) Volgende maand laten we ons huis schilderen. 3) Ze vroeg waar ik woonde. 4) Hij weigerde de brief te ondertekenen. 5) Mijn opa, die aan zee is geboren, heeft zijn hele leven in de haven gewerkt. 6) Van wie was het idee?

Toon de antwoorden
I had my phone stolen on the train / My phone was stolen on the train / My phone got stolen on the train; We're having the house painted next month / We're going to have the house painted next month; She asked me where I lived / She asked where I lived; He refused to sign the letter; My grandfather, who was born by the sea, worked at the port all his life; Whose idea was it?
Advertentie

Samenvatting

Behandeld: de lessen 13–17 in hun geheel en whose in een vraag. Volgende: les 19 — beleefd vragen en zeggen dat je iets niet weet.

Einde van de kern

De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.

Les 91

optioneel

Miniproductie

Vertel hardop en schrijf daarna tien zinnen op: hoe iets gemaakt wordt wat je goed kent; wat er dit jaar in opdracht voor je gedaan is; de weergave van een recent gesprek — met woorden, een vraag en een verzoek; iemands advies of belofte in één werkwoord; de plaats waar je bent opgegroeid, met twee bijzinnen. Minstens één vraag met whose.

Checklist voor les 19:

  • staat na be de derde vorm, being in de duurvorm, been in de voltooide tijd?
  • geen lijdende vorm bij happen, rise, lie?
  • bij een dienst de volgorde have — voorwerp — derde vorm?
  • in de indirecte rede de tijden teruggeschoven, en in een vraag de gewone woordvolgorde en if?
  • na suggest -ing, bij advise de persoon genoemd?
  • de beperkende bijzin zonder komma's, de uitbreidende tussen komma's en zonder that?
  • whose — ‘van wie’, who's — ‘wie is’ of ‘wie heeft’?
Het concept is opgeslagen op dit apparaat
Advertentie

Heb je een idee voor een functie?

Idee versturen
Advertentie
Advertentie