Een persoon en een plaats precies beschrijven
Ik kan een beschrijving aan een zelfstandig naamwoord toevoegen — een beperkende en een uitbreidende — en ik begrijp het verschil tussen de twee.
Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.
Grammatica
15 minOp A2 #26 verbond je twee zinnen met who, which en that en beschreef je een persoon of een ding uitgebreider. Toen waren alle bijzinnen van één soort. In werkelijkheid zijn er twee soorten, en het verschil zit in de komma.
De beperkende bijzin — zonder komma's. Hij beantwoordt de vraag ‘welke precies?’ en haalt het zelfstandig naamwoord uit een groep. Zonder de bijzin weet je niet over wie het gaat:
The woman who lives next door is a nurse. — Welke vrouw? Die naast ons woont.
De uitbreidende bijzin — tussen komma's. Over wie of wat het gaat, is al duidelijk; de bijzin vertelt er alleen iets bij. Laat je hem weg, dan blijft de betekenis heel:
My mother, who is seventy, still works. — Er is maar één moeder; terloops hoor je hoe oud ze is.
De toets: laat de bijzin weg. Is daarna nog duidelijk over wie of wat het gaat, dan is hij uitbreidend en zijn er komma's nodig. Zo niet, dan is hij beperkend, zonder komma's.
Vergelijk. Dezelfde woorden, een andere betekenis:
| My brother who lives in Italy is a doctor. | Er zijn meer broers; het gaat om die in Italië woont. |
| My brother, who lives in Italy, is a doctor. | Er is maar één broer; terloops hoor je waar hij woont. |
Wat er nog meer verschilt:
| beperkend | uitbreidend | |
|---|---|---|
| komma's | nee | ja |
| that in plaats van who en which | mag | mag niet |
| het betrekkelijk voornaamwoord weglaten | ja, als er een nieuw onderwerp volgt | nee |
The film (that) we saw was boring — that mag weg, want erna staat we. In de uitbreidende bijzin blijft het betrekkelijk voornaamwoord altijd staan: The film, which we saw last week, was boring. Uitbreidende bijzinnen kom je vooral op schrift tegen; in een gesprek zeg je in plaats daarvan vaak twee aparte zinnen.
Alle betrekkelijke voornaamwoorden:
| waarvoor | voorbeeld | |
|---|---|---|
| who | mensen | the woman who called |
| which | dingen en dieren | the car which I bought |
| that | mensen en dingen, alleen in de beperkende bijzin | the book that you lent me |
| whose | wiens, van wie | the man whose car was stolen |
| where | plaats | the town where I grew up |
| when | tijd | the summer when we met |
whose vervangt his, her, their, its: I met a woman. Her son goes to my school. → I met a woman whose son goes to my school. Na whose volgt direct het zelfstandig naamwoord, zonder lidwoord. Het kan ook bij dingen: a house whose windows face the sea — al zeg je vaker a house with windows facing the sea.
where of which. where betekent ‘waar’, ‘waarin’, ‘waarop’ en vervangt een hele plaatsbepaling. Heeft het werkwoord in de bijzin zelf een lijdend voorwerp — wat bezocht, wat gezien —, dan heb je which of that nodig:
| the town where I live | waar woon ik? — where |
| the town (that) I visited | wat heb ik bezocht? — that of niets |
Het voorzetsel gaat naar het eind. In het Nederlands staat het voorzetsel vóór ‘wie’ (‘de man met wie ik werk’) of hangt het aan ‘waar’ (‘de flat waarin we wonen’). In het Engels blijft het bij zijn werkwoord, aan het eind van de bijzin: the man (who) I work with, the flat (that) we live in, the people I spoke to. De variant the man with whom I work bestaat, maar klinkt heel formeel.
when laat je na woorden van tijd vaak weg: I remember the day (when) we met.
Meer voorbeelden:
| Edinburgh, which is the capital of Scotland, has a famous festival. | Edinburgh (uitbreidend: er is maar één Edinburgh). |
| The flat we live in is quite small. | De flat waarin we wonen, is klein. |
| Is that the café where you had breakfast? | Is dat het café waar je hebt ontbeten? |
| July is the month when most people go on holiday. | Juli is de maand waarin… |
Zo zeg je het niet. ✗ The book which I bought it yesterday is good → ✓ The book which I bought yesterday is good. Het lijdend voorwerp van de bijzin is al genoemd met which; een tweede it is te veel.
Test jezelf. Zijn er komma's nodig in My father who is a doctor works in Leeds? Waarom kan the town where I visited niet? Hoe zeg je ‘de mensen met wie ik werk’ zonder whom?
toon de antwoorden
Fouten van Nederlandstaligen
geschreven voor jouw taalEen komma na de beperkende bijzin
Het verschil tussen beperkend en uitbreidend kent het Nederlands ook, met dezelfde komma's. Maar na een beperkende bijzin zet je in het Nederlands vaak een komma waar twee werkwoorden elkaar raken: ‘De studenten die in het centrum wonen, betalen meer.’ ✗ The students who live in the city centre, pay more → ✓ The students who live in the city centre pay more. In het Engels staat daar geen komma.
that in de uitbreidende bijzin
‘Onze flat, die op de vijfde verdieping ligt…’, ‘het huis, dat…’ → ✗ Our flat, that is on the fifth floor, has no lift → ✓ Our flat, which is on the fifth floor, has no lift. Het Nederlandse ‘dat’ lijkt op that en past overal, maar tussen komma's staat in het Engels alleen who of which.
what in plaats van that
In de spreektaal hoor je vaak ‘het boek wat ik gekocht heb’ → ✗ The book what I bought is good → ✓ The book that I bought is good of The book I bought is good. Het Engelse what betekent ‘wat, datgene wat’ en vervangt zelf het zelfstandig naamwoord: I don't know what he wants. Na een zelfstandig naamwoord staat het niet.
Het voorzetsel vooraan
‘De mensen met wie ik werk’ → ✗ the people with who I work → ✓ the people I work with. In het Engels blijft het voorzetsel bij het werkwoord, aan het eind van de bijzin; vooraan staat het alleen in de heel formele variant met whom.
Uitspraak
3 minDe komma's van een uitbreidende bijzin hoor je — het zijn pauzes:
My brother ‖ who lives in Italy ‖ is a doctor.
De bijzin zelf klinkt iets lager en sneller, als een opmerking tussen haakjes. In de beperkende bijzin is er geen pauze, alles gaat in één adem:
My brother who lives in Italy is a doctor.
Dit is een zeldzaam geval waarin je een leesteken hoort: op het gehoor verschillen de twee zinnen juist door de pauzes.
whose /huːz/ klinkt precies als who's. that is in een bijzin onbeklemtoond, /ðət/: the book that you lent me — /ðə ˈbʊk ðət juː ˈlent miː/.
Tekst
5 minThe town where I grew up is on the north-east coast of England, about an hour from Newcastle. It's the kind of place that most people drive through without stopping.
My grandfather, who was born there in 1938, worked at the port all his life. The port, which was once the busiest on that part of the coast, closed in the eighties, and many families lost their main income.
We lived in a narrow house that looked straight out at the sea. The room I slept in was at the top, and on windy nights I could hear the waves. The house has been sold twice since then, and the people who live there now have painted it bright blue.
Last summer I went back for a weekend. In a café near the harbour I met an old man whose father had worked with my grandfather. He remembered the winter when the harbour froze — something my grandfather had told me about, but I had never quite believed. We talked for two hours, and before I left he showed me an old photo that he kept in his wallet: both our families on the beach, all smiling at the camera.
Oefeningen
30 min1. Vul who, which, whose, where of when in.
- The town I grew up is on the coast
- The man car was stolen called the police
- I'll never forget the day we met
- My grandmother, is ninety, still lives alone
- Our flat, is on the fifth floor, has no lift
- Is this the café you had breakfast?
- She's the colleague I told you about
- I met a girl brother plays for Arsenal
Toon de antwoorden
2. Maak van twee zinnen één zin.
- I met a man. + His father knew my grandfather.
- My sister lives in Rome. + She is a teacher. (ik heb maar één zus)
- This is the house. + I was born in this house. (where)
- The film was boring. + We saw it last night.
- Edinburgh is the capital of Scotland. + It has a famous festival.
- The people are very friendly. + I work with them.
- I remember the summer. + We went to Wales that summer. (when)
- The hotel was very expensive. + We stayed in it.
Toon de antwoorden
3. Herschrijf en zet komma's
- My mother who is a nurse works at night.
- The woman who lives next door is a nurse.
- London which is the capital of the UK is very expensive.
- The book that you lent me was great.
- Our neighbours who moved here last year have two dogs. (andere buren hebben we niet)
Toon de antwoorden
4. Foutopsporing.
- My brother, that lives in Italy, is a doctor.
- This is the town where I visited last year.
- The film what we saw was boring.
- The man which lives next door is a pilot.
- The book which I bought it yesterday is very good.
- I met a woman who her son goes to my school.
Toon de antwoorden
5. Vertaal naar het Engels.
1) De stad waar ik ben opgegroeid, ligt aan zee. 2) Mijn vader, die in 1950 is geboren, werkt nog steeds. 3) Dit is de man van wie de auto is gestolen. 4) De mensen met wie ik werk, zijn erg vriendelijk. 5) Ik weet de dag nog waarop we verhuisd zijn.
Toon de antwoorden
6. Beschrijf de plaats waar je bent opgegroeid.
Vier à vijf zinnen: minstens één beperkende bijzin, één uitbreidende en één met whose, where of when.
Voorbeeld: I grew up in a small town where everybody knew everybody. Our school, which was built in the sixties, was next to the river. My best friend was a boy whose parents ran the bakery. The house we lived in has been sold.
Samenvatting
Behandeld: beperkende en uitbreidende bijzinnen en de rol van de komma, that alleen in de beperkende bijzin, wanneer het betrekkelijk voornaamwoord weg mag, whose, where tegenover which, when, het voorzetsel aan het eind van de bijzin. Volgende: les 18 — herhaling van de lessen 13–17.
Einde van de kern
De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.
optioneel
Woordenschat voor de kaartenset
15 woorden- grow up /ˌɡrəʊ ˈʌp/ opgroeien
- coast /kəʊst/ kust
- port /pɔːt/ haven (met handel en scheepvaart), havenstad
- harbour /ˈhɑːbə/ haven (beschut water voor boten)
- narrow /ˈnærəʊ/ smal
- wave /weɪv/ golf
- windy /ˈwɪndi/ winderig
- freeze /friːz/ bevriezen, dichtvriezen
- income /ˈɪnkʌm/ inkomen
- whose /huːz/ wiens, van wie
- nurse /nɜːs/ verpleegkundige
- capital /ˈkæpɪtl/ hoofdstad
- pilot /ˈpaɪlət/ piloot
- face /feɪs/ uitkijken op (van ramen)
- all his life /ˌɔːl hɪz ˈlaɪf/ zijn hele leven
Schrijven
Zes zinnen over de plaats waar je bent opgegroeid of over iemand die veel voor je betekent. Drie bijzinnen: één beperkende en twee uitbreidende.
Voorbeeld
The village my grandparents lived in is in the hills. My grandmother, who was a teacher, knew every family there. She worked at the village school for thirty years. Her neighbour, whose garden was full of roses, always gave us apples. The house was sold after she died. I still have her letters.
Checklist
Oefen deze les in de andere secties
Heb je een idee voor een functie?
⚑ optioneel