Een groep beschrijven
Ik kan precies zeggen hoeveel mensen of dingen uit een groep iets doen.
Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.
Grammatica
15 minIn A2 #13 zei je hoeveel er van iets is: a lot of work, a few days, not much time. Nu gaat het om een andere vraag: welk deel van een groep. ‘De meeste van mijn collega's’, ‘niemand van ons’, ‘allebei de broers’, ‘geen van beide mogelijkheden’, ‘de helft van de kaartjes’. Het Nederlands kent twee manieren om zo'n woord voor een groep te zetten: ‘veel mensen’ en ‘veel van mijn vrienden’. Het Engels ook, maar de keuze ertussen volgt een vaste regel — en die regel is het belangrijkste van deze les.
Woorden voor een deel. Van ‘allemaal’ tot ‘niemand’:
| woord | deel | voorbeeld |
|---|---|---|
| all | allemaal, alles | All of my friends came to the party. |
| most | de meeste, het grootste deel | Most of the guests left before midnight. |
| half | de helft | Half of the tickets have already gone. |
| many | veel | Many of my colleagues live outside London. |
| some | sommige, een deel | Some of them work at weekends. |
| a few | een paar | A few of us stayed to help. |
| none | geen, niemand, niets | None of the shops were open. |
Over twee mensen of dingen praat je met een apart drietal:
| woord | deel | voorbeeld |
|---|---|---|
| both | allebei, beide | Both of my parents are teachers. |
| either | een van beide, welke ook | Either of these days is fine for me. |
| neither | geen van beide | Neither of the answers is right. |
Wanneer of nodig is. Een woord voor een deel kan direct voor het zelfstandig naamwoord staan: most people, some students, all children. Zo praat je over mensen en dingen in het algemeen — ‘de meeste mensen’ op de wereld, ‘alle kinderen’ als zodanig. Gaat het om een concrete, al bekende groep — the students, my friends, these books, us, them — dan komt er of tussen het woord voor het deel en de groep:
| in het algemeen — zonder of | een concrete groep — met of |
|---|---|
| Most people like holidays. | Most of the people in my street have a car. |
| Some students work at night. | Some of my students work at night. |
| All children need sleep. | All of us were tired. |
| No shops are open on Christmas Day. | None of the shops were open. |
Waarom: of betekent hier ‘van’, ‘uit’. ‘De meeste uit de groep studenten waar we het over hebben’ — most of the students. Is er geen concrete groep, dan valt er niets ‘uit’ te kiezen, en zet je geen of. Daaruit volgt een controle: na of staat altijd the, my, these, those of een voornaamwoord. Zonder die woorden is of niet nodig.
Met een voornaamwoord is of altijd nodig: all of us, both of them, none of it, most of you.
all, both en half hebben een vrijheid: vóór the en my mag of wegvallen. all the students = all of the students, both my parents = both of my parents, half the class. Bij de andere woorden kan dat niet: alleen most of the students, some of my friends.
all en both na het onderwerp. Deze twee woorden kunnen ook midden in de zin staan — op dezelfde plaats als de bijwoorden van frequentie (A1 #11): vóór het hoofdwerkwoord, maar na be en na een hulpwerkwoord. We all agreed. — ‘We waren het allemaal eens.’ My parents are both teachers. — ‘Mijn ouders zijn allebei leraar.’ The guests have all gone home.
none en no. no staat direct voor het zelfstandig naamwoord: No students came. none staat voor of of helemaal alleen, als antwoord: None of the students came. — How many tickets are left? — None. Beide woorden zijn al ontkennend, dus het werkwoord erna is bevestigend: None of them came. Net als in het Nederlands — ‘geen van hen kwam’ — staat de ontkenning maar één keer. Dezelfde wet als bij neither … nor (B1 #6) en nobody (A2 #14).
Twee of meer. both, either, neither gaan alleen over twee. Zijn het er drie of meer, dan heb je all, any, none nodig: None of my three brothers lives here, niet neither. Na either en neither zonder of staat het enkelvoud: either day, neither answer. Met of — het meervoud: neither of the answers.
not … either betekent hetzelfde als neither en klinkt in een gesprek gewoner: I don't like either of them = I like neither of them — ‘ik vind geen van beide leuk’.
neither kwam je al in twee andere rollen tegen: neither … nor (B1 #6) en Neither do I (B1 #20). Hier is de derde rol: ‘geen van beide’.
a few en few, a little en little. Het lidwoord draait het oordeel om. a few (bij telbare woorden) en a little (bij ontelbare) — ‘een paar’, ‘een beetje’, en dat is genoeg. Zonder a betekenen dezelfde woorden ‘weinig’, ‘bijna geen’, en dat is jammer.
| I've got a few friends in Leeds, so I'm never lonely. | een paar — en dat is goed |
| I've got few friends in Leeds, so I'm often lonely. | weinig — een klacht |
| We've got a little time — let's have a coffee. | een beetje, maar het is er |
| We've got little time — hurry up. | bijna niets |
In een gesprek klinken few en little zonder lidwoord boekachtig. Meestal zeg je in plaats daarvan not many, not much of only a few: I haven't got many friends here. En quite a few betekent juist ‘best veel’: Quite a few of my colleagues cycle to work.
Het werkwoord. Na most of, some of, all of, half of richt het werkwoord zich naar het zelfstandig naamwoord na of: Most of the students are here, maar Most of the money was spent. Staat er na of een groepswoord — class, team, family — dan zijn in het Brits-Engels beide getallen goed: Half of the class has been to Spain (de klas als één geheel) en Half of the class have been to Spain (de mensen erin). Na none of, neither of en either of zijn ook beide goed: None of us is perfect en None of us are perfect, Neither of them knows en Neither of them know. Het enkelvoud klinkt strenger en wordt in een officiële brief gekozen; het meervoud hoor je meestal in een gesprek. Fout is geen van beide.
Meer voorbeelden:
| Most of my colleagues come to work by train. | De meeste van mijn collega's komen met de trein naar hun werk. |
| Some of the questions were really difficult. | Sommige vragen waren echt moeilijk. |
| Half of the class have been to Spain. | De helft van de groep is in Spanje geweest. |
| None of us knew the answer. | Niemand van ons wist het antwoord. |
| Both of my sisters live abroad. | Mijn zussen wonen allebei in het buitenland. |
| Monday or Tuesday? Either day is fine. | Maandag of dinsdag? Beide dagen zijn prima. |
Zo zeg je het niet. ✗ all us, ✗ both they → ✓ all of us, both of them. ✗ most the students → ✓ most of the students.
Test jezelf. Hoe zeg je ‘De meeste van mijn vrienden wonen in Londen’? Wat is het verschil tussen I have a few friends here en I have few friends here? Hoe zeg je ‘geen van beide antwoorden is goed’?
toon de antwoorden
Fouten van Nederlandstaligen
geschreven voor jouw taal‘De meeste’ als the most
‘De meeste mensen drinken liever thee’ → ✗ The most people prefer tea → ✓ Most people prefer tea. ✗ the most of my friends → ✓ most of my friends. Het lidwoord uit ‘de meeste’ gaat mee. Maar the most is de overtreffende trap (A2 #8): the most expensive — ‘de duurste’. In de betekenis ‘het grootste deel’ staat most zonder the.
‘De helft’ als the half
✗ The half of the class have been to Spain
✓ Half of the class
of Half the class. ‘De helft’ heeft in het Nederlands een lidwoord, half in het Engels niet: het staat zelf op de plaats van het lidwoord.
‘Niemand van ons’ als nobody of us
✗ Nobody of us knew the answer
✓ None of us knew the answer
‘Niemand van’ nodigt uit tot nobody + of. Maar nobody staat altijd alleen; vóór of + groep staat none.
none over twee
✗ None of my parents drives
✓ Neither of my parents drives
‘Geen van mijn ouders’ is in het Nederlands gewoon, ook als het er twee zijn. In het Engels is het bij twee neither, vanaf drie none.
‘Veel’ en ‘weinig’ bij alles
✗ Much of my colleagues work from home → ✓ Many of my colleagues. ✗ Little of my friends live here → ✓ Few of my friends live here. ‘Veel’ en ‘weinig’ passen in het Nederlands bij elk woord. Het Engels kiest: bij een telbaar meervoud many, few, a few, bij een ontelbaar woord much, little, a little (A2 #13).
Uitspraak
4 minof is in deze combinaties onbeklemtoond — /əv/, en voor een medeklinker vaak gewoon /ə/. De klemtoon valt op het woord voor het deel en op het zelfstandig naamwoord: MOST of the STUdents /ˈməʊst əv ðə ˈstjuːdnts/, SOME of them /ˈsʌm əv ðəm/. all of us smelt samen tot één woord: /ˈɔːl əv əs/.
Slik de a in a few niet in. /ə ˈfjuː/ tegenover /fjuː/: één zwakke klank maakt het verschil tussen ‘een paar’ en ‘weinig’. Hetzelfde geldt voor a little /ə ˈlɪtl/.
none rijmt op one en sun: /nʌn/ — dezelfde klinker als in but, geen o. both — /bəʊθ/, met /θ/ aan het eind, zoals in think. either en neither klinken op twee manieren (B1 #6): /ˈaɪðə/ of /ˈiːðə/, /ˈnaɪðə/ of /ˈniːðə/.
In half spreek je de l niet uit: /hɑːf/, zoals in calm en walk — anders dan het Nederlandse ‘half’.
Tekst
5 minThere are twelve of us in our Tuesday evening Spanish class, and last week our teacher gave us a short survey about our lives. Here are the results.
Most of us work full-time, and a few work part-time. None of us are students any more — the youngest person in the group is twenty-nine. Half of the class have been to Spain at least once, but only two people have lived there: Paul and Ruth. Both of them spent a year in Madrid, and neither of them wants to go back to an office job.
All of us have busy evenings, so homework is a problem. Some people do it on the train in the morning, and some hardly do it at all. Few of us practise speaking outside the class, and that's the biggest weakness of the group. We have a little time before the exam in June, so our teacher has a plan: every week, two of us are going to meet for a coffee and speak only Spanish. We'll meet on Mondays or Wednesdays — either day is fine for most people.
I asked my partner, Jenny, if she was nervous about the exam. "Not really," she said. "Most exams are easier than people think. And all of my friends who took it last year passed."
Oefeningen
30 min1. Invuloefening.
- Most people in my street have a car
- Most the people I work with live outside London
- All us were tired after the trip
- Some children are afraid of the dark
- None my friends could come to the party
- Both them speak French
- Many students work part-time
- Some my colleagues work from home on Fridays
Toon de antwoorden
2. Vul a few, few, a little of little in.
- I've got friends in this town, so I'm never lonely
- Hurry up — we have very time
- Could I have milk in my tea, please?
- It's a difficult book, and people finish it
- The last train has gone, so there's hope of getting home tonight
- We stayed in Rome for days and then went to Florence
Toon de antwoorden
3. Herschrijf
- All the students passed the exam. (none)
- My two sisters live abroad. (both)
- My two sisters don't drive. (neither)
- I don't have any friends who speak German. (none)
- Nearly all my colleagues come to work by train. (most)
- We were all late. (all of)
Toon de antwoorden
4. Foutopsporing.
- Most of students in my group work.
- The most people prefer tea.
- Nobody of them came to the meeting.
- All us have to hand in the project on Friday.
- Neither of my three brothers lives here.
- I have few friends here, so I'm never lonely.
- None students passed the exam.
Toon de antwoorden
5. Vertaal naar het Engels.
1) De meeste van mijn collega's wonen buiten de stad. 2) Niemand van ons wist het antwoord. 3) Mijn ouders zijn allebei leraar. 4) We vonden geen van beide hotels leuk. 5) We hebben nog een beetje tijd — laten we koffie gaan drinken. 6) De helft van de kaartjes is al verkocht.
Toon de antwoorden
6. Beantwoord in volledige zinnen
— over je collega's, medestudenten of buren. De antwoorden hieronder zijn een voorbeeld. 1) How many of your colleagues or classmates work from home? 2) Do any of your friends live abroad? 3) How many of your neighbours do you know by name?
Toon de antwoorden
Samenvatting
Behandeld: woorden voor een deel van all tot none, de regel voor of (in het algemeen — een concrete groep), all of us en we all, none en no, het drietal voor twee — both, either, neither, a few tegenover few, a little tegenover little, de vorm van het werkwoord. Volgende: les 26 — een voorwerp beschrijven en een review schrijven.
Einde van de kern
De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.
optioneel
Woordenschat voor de kaartenset
16 woorden- most /məʊst/ de meeste, het grootste deel
- half /hɑːf/ half, helft
- none /nʌn/ geen, niemand
- both /bəʊθ/ allebei, beide
- either of /ˈaɪðər əv/ een van beide
- neither of /ˈnaɪðər əv/ geen van beide
- a few /ə ˈfjuː/ een paar, enkele
- few /fjuː/ weinig, slechts enkele
- quite a few /ˌkwaɪt ə ˈfjuː/ best veel
- survey /ˈsɜːveɪ/ enquête
- result /rɪˈzʌlt/ resultaat, uitslag
- full-time /ˌfʊl ˈtaɪm/ voltijds
- part-time /ˌpɑːt ˈtaɪm/ deeltijds
- weakness /ˈwiːknəs/ zwakke plek
- at least /ət ˈliːst/ minstens, in elk geval
- lonely /ˈləʊnli/ eenzaam
Schrijven
Zes zinnen over een groep mensen die je goed kent: collega's, medestudenten, je familie. Minstens vijf verschillende woorden voor een deel, waarvan één over twee mensen.
Voorbeeld
There are fifteen people in my team at work. Most of us live in the city, but a few of my colleagues come in from the countryside. Half of the team have children. None of us are older than fifty. Both of our managers speak French, and neither of them drives to work. Few of us take a proper lunch break — we're always too busy.
Checklist
Oefen deze les in de andere secties
Heb je een idee voor een functie?
⚑ optioneel