Grammatica ~54 min van de kern over

Andermans woorden precies doorgeven

Na deze les kun je

Ik kan precies doorgeven wat iemand zei, vroeg en verzocht.

Start de les Kern 54 min · stappen: 6 · optioneel: +2

Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.

Grammatica

16 min

Op A2 #29 heb je de indirecte rede leren herkennen: He said he was tired — en begrepen dat was hier geen verleden betekent. Nu maak je de indirecte rede zelf, en niet alleen voor een bewering, maar ook voor een vraag en een verzoek. Er zijn drie schema's, maar de logica is één: je vertelt vanuit jezelf over een gesprek dat al voorbij is.

Een bewering: de tijden schuiven terug. Je leidt haar in met said (wat iemand zei) of told + persoon (tegen wie) — dat paar ken je uit A2 #29. Staat het inleidende werkwoord in de verleden tijd, dan schuift de tijd van de doorgegeven woorden een stap terug. Het Engels past de tijd van de bijzin aan die van de hoofdzin aan: de woorden zijn ‘toen’ gezegd, en alles daarbinnen kijkt ook vanuit ‘toen’. Het Nederlands doet dat ook (‘hij zei dat hij moe was’), maar laat in de spreektaal de tegenwoordige tijd vaak staan: ‘hij zei dat hij moe is’. In het Engels is terugschuiven de regel. Het is dezelfde logica als bij de Past Perfect in B1 #1: de gebeurtenissen worden geordend vanaf het punt van het verhaal.

directe rede indirecte rede
"I am tired." He said he was tired.
"I work in a bank." She said she worked in a bank.
"I'm waiting for a bus." He said he was waiting for a bus.
"I've finished." She said she had finished.
"I lost my keys." He said he had lost his keys.
"I'll call you." She said she would call me.
"I can help." He said he could help.
"I must go." She said she had to go.
"We may be late." They said they might be late.

De Past Perfect, would, could, should en might schuiven niet: verder terug kunnen ze niet. "I had finished" → She said she had finished.

Wanneer terugschuiven niet hoeft. Staat het inleidende werkwoord in de tegenwoordige tijd, dan schuift er niets: She says she's tired — zo geef je door wat net gezegd is. Is wat er gezegd is nu nog steeds waar, dan kan de tijd blijven: He said he lives in Leeds — en hij woont er nog steeds. Het teruggeschoven lived is in dat geval ook goed.

De Past Simple: terugschuiven is de hoofdregel, niet terugschuiven is ook goed. "I lost my keys" → He said he had lost his keys — zo volgens de regel, en op schrift is dat het veiligst. Maar de Past Simple blijft in de indirecte rede vaak zoals hij is: He said he lost his keys. Dat is geen fout: de volgorde van de gebeurtenissen is toch duidelijk — eerst verloren, dan gezegd — en de Past Perfect voegt niets toe. Vooral als het tijdstip genoemd wordt, zeg je het vaak zo: She said she arrived on Monday. In de oefeningen van deze cursus worden beide varianten goedgekeurd; twijfel je, schuif dan terug.

Voornaamwoorden, plaats en tijd. Nu spreekt iemand anders, dus I wordt he of she, en my wordt his of her. Geef je de woorden op een andere dag of op een andere plaats door, dan veranderen ook de woorden voor tijd en plaats:

in de directe rede in de indirecte rede
now then
today that day
tomorrow the next day
yesterday the day before
next week the following week
here there

Op dezelfde dag hoef je ze niet te veranderen: She said she'd call me tomorrow — als het nog geen morgen is.

Een vraag: gewone woordvolgorde en if. In de indirecte rede is een vraag geen vraag meer: je stelt hem niet, je vertelt erover. Daarom heeft hij de volgorde van een gewone bewering — eerst het onderwerp, dan het werkwoord —, do, does, did verdwijnen, en er staat geen vraagteken. Je leidt hem in met asked of wanted to know. Ook in het Nederlands verandert de volgorde: ‘Waar woon je?’ → ‘hij vroeg waar ik woonde’.

directe vraag indirecte rede
"Where do you live?" He asked me where I lived.
"What time does the train leave?" She asked what time the train left.
"Are you coming?" He asked if I was coming.
"Have you seen my keys?" She asked whether I had seen her keys.

Een vraag met where, what, why houdt dat woord. Een vraag zonder zo'n woord — een ja/nee-vraag — krijgt if of whether: dat is het Engelse ‘of’ in ‘hij vroeg of ik kwam’.

Een verzoek of een opdracht: to + werkwoord. Een verzoek leid je in met asked, een opdracht of een bevel met told, en daarna komen de persoon en to + werkwoord. De ontkenning is not to.

directe rede indirecte rede
"Please wait here." She asked me to wait there.
"Close the door." He told me to close the door.
"Don't be late." She told us not to be late.
"Could you help me?" He asked me to help him.

Could you…? is qua vorm een vraag, maar qua betekenis een verzoek, en daarom geef je het door met asked me to.

Vergelijk asked me to en asked me if:

He asked me to call Anna. Hij vroeg: ‘Bel Anna.’
He asked me if I had called Anna. Hij vroeg: ‘Heb je Anna gebeld?’

Na to volgt een verzoek, na if een vraag.

Zo zeg je het niet. ✗ She asked if I was coming? → ✓ She asked if I was coming. Een doorgegeven vraag is een bewering, en aan het eind staat een punt.

Test jezelf. Hoe geef je Anna's woorden "I've lost my phone" door? Waarom She asked where I lived en niet where did I live? Hoe geef je "Don't touch it!" door?

toon de antwoorden
Anna said she had lost her phone; in de indirecte rede heeft een vraag de gewone woordvolgorde en geen did: je stelt de vraag niet, je vertelt erover; He told me not to touch it — not to + werkwoord.
Advertentie

Fouten van Nederlandstaligen

geschreven voor jouw taal
1

‘Zei me’ en ‘vertelde dat’

✗ He said me that he was busy

✗ She told that she was busy

✓ He told me that he was busy / He said to me that he was busy

She said that she was busy. In het Nederlands neemt ‘zeggen’ de persoon gewoon mee (‘hij zei me’), en ‘vertellen’ kan zonder persoon. In het Engels is het andersom: say — wat er gezegd is, tell — tegen wie: told me.

2

said voor een opdracht

‘Hij zei me de deur dicht te doen’ → ✗ He said me to close the door → ✓ He told me to close the door. In het Nederlands geef je met ‘zeggen’ ook een opdracht door. In het Engels gaat een opdracht met told + persoon + to, een verzoek met asked + persoon + to, en een verbod met not to: She told me not to be late.

3

De tegenwoordige tijd laten staan

‘Tom zei vorige week dat hij moe is’ → ✗ Last week Tom said he is tired → ✓ Last week Tom said he was tired. In het Nederlands blijft in de spreektaal na ‘zei’ vaak de tegenwoordige tijd staan. In het Engels schuift de tijd terug; de tegenwoordige tijd blijft alleen als het nu nog steeds zo is: He said he lives in Leeds.

4

Het werkwoord aan het eind van de bijzin

‘Hij zei dat hij zijn sleutels verloren had’ → ✗ He said that he his keys had lost → ✓ He said that he had lost his keys. In een Nederlandse bijzin schuiven de werkwoorden naar het eind, en na ‘dat’ en ‘of’ glipt die volgorde makkelijk mee. In het Engels blijft ook na that, if en whether de gewone volgorde: onderwerp, werkwoord, de rest.

Uitspraak

3 min

Bij een doorgegeven vraag daalt de intonatie:

He asked where I lived ↘. She asked if I was coming ↘.

Het is een bewering over een vraag, niet de vraag zelf. Gaat de stem aan het eind omhoog, dan wordt de zin weer een vraag — een veelgemaakte fout: de zin is goed gebouwd, maar klinkt als een vraag.

said en says: said /sed/, says /sez/ — met een korte /e/, niet met /eɪ/ zoals in say. De /d/ en de /z/ aan het eind blijven stemhebbend.

asked /ɑːskt/ — één lettergreep: /sk/ en /t/ klinken direct na elkaar, zonder klinker ertussen.

that is in de indirecte rede onbeklemtoond: He said that he was tired — /ðət/, bijna onhoorbaar.

Advertentie

Tekst

5 min

Yesterday I rang the shop about my missing order. The receptionist said that the manager was in a meeting and asked if I wanted to leave a message. I told her that I had sent two emails the week before and that nobody had answered.

She said she was very sorry and asked me what my order number was. Then she asked whether I had paid by card or by bank transfer. I told her that I had paid by card on the first of the month. She said the parcel had left the warehouse ten days earlier, but she couldn't see where it was now.

She asked me to wait for a moment and put me on hold. Two minutes later she came back and told me not to worry. The parcel was at the local post office, she said, and it would be delivered the next day. She also asked me to check my spam folder, because they had sent me a tracking number.

I checked. She was right: the email was there, with the tracking number and a message that said my parcel was on its way.

Hardop lezen

Oefeningen

30 min

1. Herschrijf in de indirecte rede.

  1. "I'm tired." (Tom)
  2. "I work in a bank." (Anna)
  3. "I've finished the report." (Mark)
  4. "I'll call you tomorrow." (Sarah told me)
  5. "I can't come to the party." (Ben)
  6. "We must leave at six." (they)
  7. "I lost my wallet yesterday." (Kate)
Toon de antwoorden
Tom said he was tired / Tom said that he was tired; Anna said she worked in a bank / Anna said that she worked in a bank; Mark said he had finished the report / Mark said that he had finished the report; Sarah told me she would call me the next day / Sarah told me that she would call me the next day / Sarah told me she would call me the following day; Ben said he couldn't come to the party / Ben said that he couldn't come to the party; They said they had to leave at six / They said that they had to leave at six; Kate said she had lost her wallet the day before / Kate said that she had lost her wallet the day before / Kate said she had lost her wallet the previous day / Kate said she lost her wallet the day before / Kate said that she lost her wallet the day before / Kate said she lost her wallet the previous day

2. Herschrijf de vragen in de indirecte rede.

  1. "Where do you live?" (he asked me)
  2. "Are you coming to the party?" (she asked me)
  3. "What time does the train leave?" (I asked)
  4. "Have you seen my keys?" (Mum asked me)
  5. "Why are you laughing?" (the teacher asked us)
  6. "Can you speak French?" (they asked her)
Toon de antwoorden
He asked me where I lived; She asked me if I was coming to the party / She asked me whether I was coming to the party; I asked what time the train left; Mum asked me if I had seen her keys / Mum asked me whether I had seen her keys; The teacher asked us why we were laughing; They asked her if she could speak French / They asked her whether she could speak French

3. Herschrijf de verzoeken en opdrachten in de indirecte rede.

  1. "Please wait here." (she asked me)
  2. "Don't be late." (he told us)
  3. "Could you open the window?" (she asked him)
  4. "Don't touch anything." (the guide told the children)
  5. "Send me the file by Friday." (my manager told me)
Toon de antwoorden
She asked me to wait there / She asked me to wait here; He told us not to be late; She asked him to open the window; The guide told the children not to touch anything; My manager told me to send him the file by Friday / My manager told me to send her the file by Friday

4. Foutopsporing.

  1. He asked me where did I live.
  2. She asked me do I want a coffee.
  3. She told me don't worry.
  4. He told that he was busy.
  5. They asked what time was it.
  6. He said me to close the door.
Toon de antwoorden
He asked me where I lived; She asked me if I wanted a coffee / She asked me whether I wanted a coffee; She told me not to worry; He told me that he was busy / He told me he was busy / He said that he was busy / He said he was busy; They asked what time it was; He told me to close the door / He asked me to close the door

5. Vul said, told, asked, if of to in.

  1. She me that she was busy
  2. He that the shop closed at six
  3. I him where the station was
  4. She asked me I had a pen
  5. He asked me wait outside
Toon de antwoorden
told; said; asked; if / whether; to

6. Vertaal naar het Engels.

1) Hij zei dat hij moe was. 2) Ze vroeg waar ik werkte. 3) Hij vroeg of ik kwam. 4) De dokter zei dat ik een week niet moest werken. 5) Ze zeiden dat ze al gegeten hadden.

Toon de antwoorden
He said he was tired / He said that he was tired; She asked me where I worked / She asked where I worked; He asked if I was coming / He asked whether I was coming / He asked if I would come / He asked whether I would come; The doctor told me not to work for a week; They said they had already eaten / They said that they had already eaten

7. Geef een gesprek door.

Denk aan een recent telefoongesprek of een gesprek in een winkel. Geef het in vijf zinnen door: wat er tegen je gezegd werd, wat ze je vroegen en wat ze je verzochten te doen.

Voorbeeld: Yesterday I rang my dentist. The receptionist said that the dentist was ill. She asked if I could come the following week. I said that Tuesday was fine for me. She asked me to arrive ten minutes early.

Advertentie

Samenvatting

Behandeld: het terugschuiven van alle bekende tijden en modale werkwoorden, wanneer terugschuiven niet nodig is, de Past Simple met en zonder terugschuiven, de woorden voor plaats en tijd, de doorgegeven vraag — gewone woordvolgorde, if en whether, het doorgegeven verzoek en de opdracht — asked me to, told me not to. Volgende: les 16 — andermans advies doorgeven.

Einde van de kern

De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.

Les 88

optioneel

Woordenschat voor de kaartenset

14 woorden
  • receptionist /rɪˈsepʃənɪst/ receptionist, baliemedewerker
  • whether /ˈweðə/ of (in een indirecte vraag)
  • the day before /ðə deɪ bɪˈfɔː/ de dag ervoor
  • the next day /ðə nekst ˈdeɪ/ de volgende dag
  • the following week /ðə ˌfɒləʊɪŋ ˈwiːk/ de week daarop (in de indirecte rede)
  • order /ˈɔːdə/ bestelling; bestellen
  • parcel /ˈpɑːsl/ pakket, pakje
  • warehouse /ˈweəhaʊs/ magazijn
  • missing /ˈmɪsɪŋ/ zoekgeraakt, vermist
  • bank transfer /ˈbæŋk ˌtrænsfɜː/ bankoverschrijving
  • put on hold /ˌpʊt ɒn ˈhəʊld/ in de wacht zetten (aan de telefoon)
  • tracking number /ˈtrækɪŋ ˌnʌmbə/ trackingnummer, track-and-tracecode
  • leave a message /ˌliːv ə ˈmesɪdʒ/ een bericht achterlaten
  • on its way /ɒn ɪts ˈweɪ/ onderweg

Schrijven

Zes zinnen — de weergave van een telefoongesprek of een briefwisseling: wat er tegen jou gezegd is, wat jij zei, wat ze je vroegen en wat ze je verzochten te doen.

Voorbeeld

Last week I rang a hotel in Bath. The receptionist said that all the double rooms were booked for Saturday. She asked if I would like a single room instead. I told her that I was travelling with my wife. She asked me to wait while she checked another date. Then she said that they had a free room the following weekend.

Checklist

Het concept is opgeslagen op dit apparaat
Advertentie

Heb je een idee voor een functie?

Idee versturen
Advertentie
Advertentie