Grammatica ~59 min van de kern over

Iemand anders iets laten doen — of het zelf doen

Na deze les kun je

Ik kan iemand vragen of dwingen iets te doen en zeggen dat ik het zelf wel afkan.

Start de les Kern 59 min · stappen: 6 · optioneel: +2

Opgegeven kerntijd. Twee van de kernblokken hebben geen tijdsaanduiding, dus de echte les duurt langer dan deze som.

Grammatica

18 min

In het Nederlands zeg je wat je van een ander wilt met een bijzin: ‘ik wil dat je belt’. In het Engels is er na want geen bijzin. In plaats daarvan komen de persoon en to + werkwoord: I want you to call me. Dat patroon ken je uit de indirecte rede: asked me to wait (B1 #15), advised me to rest (B1 #16). Hier komen er werkwoorden van willen en verwachten bij.

Ik wil dat je: werkwoord + wie + to + werkwoord.

I want you to call me tonight. Ik wil dat je me vanavond belt.
My parents wanted me to become a doctor. Mijn ouders wilden dat ik arts werd.
I'd like you to meet my sister. Ik wil je graag aan mijn zus voorstellen.
Would you like me to help? Zal ik helpen?
We expect everyone to be on time. We verwachten dat iedereen op tijd is.
I need you to sign here, please. Wilt u hier even tekenen?
She doesn't want us to worry. Ze wil niet dat we ons zorgen maken.

Na het werkwoord staat de objectvorm van het voornaamwoord: me, you, him, her, us, them. De ontkenning komt meestal bij want: I don't want you to go klinkt natuurlijker dan I want you not to go. Would you like me to…? is een beleefd aanbod — ‘zal ik…?’, ‘wil je dat ik…?’ —, naast Shall I…? (A2 #12).

Dwingen, toestaan, helpen: make, let, help. Na make en let volgt het werkwoord zonder to, zoals na een modaal werkwoord. Na help kan het allebei: met of zonder to.

The teacher made us rewrite the essay. De leraar liet ons het opstel opnieuw schrijven.
That film always makes me cry. Bij die film moet ik altijd huilen.
My parents let me stay up late at weekends. In het weekend mocht ik van mijn ouders laat opblijven.
Let me help you. Laat mij je even helpen.
Can you help me carry these boxes? Help je me die dozen dragen? (= help me to carry)

make — dwingen, door gezag of door de omstandigheden; ook een ding kan je ergens toe brengen: een film, het weer, lawaai. let — toestaan, niet tegenhouden. Je kent het van Let's (A1 #16): Let's go is let us go, net als ‘laten we gaan’. Het Nederlands zegt in beide gevallen vaak ‘laten’; het Engels kiest: make of let.

get + wie + to — iemand zover krijgen. In Britse spreektaal een heel gewone vorm: I'll get Tom to fix it. — ‘Ik vraag Tom wel om het te repareren.’ I couldn't get him to listen. — ‘Ik kreeg hem niet zover dat hij luisterde.’ Anders dan bij make staat er bij get wel to.

Vergelijk — dezelfde betekenis, een andere vorm:

They let us leave early. zonder to
They allowed us to leave early. allow — ook ‘toestaan’, maar met to, formeler

In de lijdende vorm krijgt make wel to: We were made to wait for an hour. — ‘We moesten een uur wachten.’ let heeft geen lijdende vorm; in plaats daarvan gebruik je be allowed to uit B1 #11: We were allowed to leave early. — ‘We mochten eerder weg.’ Zo krijg je een paar: They let us leave early — We were allowed to leave early.

Wederkerende voornaamwoorden — ‘zich’ en ‘zelf’.

I — myself we — ourselves
you — yourself you — yourselves (tegen meer mensen)
he — himself, she — herself, it — itself they — themselves

Ze hebben drie taken.

De handeling is op jezelf gericht — ‘me’, ‘je’, ‘zich’: I cut myself. — ‘Ik heb me gesneden.’ Did you hurt yourself? — ‘Heb je je pijn gedaan?’ She taught herself Italian. — ‘Ze heeft zichzelf Italiaans geleerd.’ En twee beleefde formules: Help yourself! — ‘Tast toe!’, Enjoy yourselves! — ‘Veel plezier!’.

‘Zelf’, en niet iemand anders — als nadruk, aan het eind van de zin of direct na het zelfstandig naamwoord: I'll do it myself. — ‘Ik doe het zelf wel.’ Did you make this cake yourself? The town itself is small, but the beaches are beautiful. — ‘De stad zelf is klein…’.

by myself — ‘alleen, in mijn eentje; zonder hulp’: I live by myself. — ‘Ik woon alleen.’ She built the website by herself. Hetzelfde betekent on my own: I did it on my own.

Veel Nederlandse werkwoorden met ‘zich’ of ‘elkaar’ hebben in het Engels geen voornaamwoord: wash — zich wassen, get dressed — zich aankleden, relax — zich ontspannen, feel — zich voelen, worry — zich zorgen maken, meet — elkaar ontmoeten, hurry — zich haasten. myself staat er alleen als de handeling echt op jezelf gericht is en dat belangrijk is: I cut myself, maar I washed and got dressed.

Zo zeg je het niet. ✗ I want he to come → ✓ I want him to come. Na want de objectvorm: him, niet he.

Test jezelf. Hoe zeg je ‘Wil je dat ik je help?’? Wat klopt er niet aan She let me to use her car? Hoe zeg je ‘Ik heb de fiets zelf gerepareerd’?

toon de antwoorden
Would you like me to help you?; na let volgt het werkwoord zonder to: She let me use her car; I fixed the bike myself of I repaired the bike myself.
Advertentie

Fouten van Nederlandstaligen

geschreven voor jouw taal
1

‘Ik wil dat je…’ met that

✗ I want that you call me → ✓ I want you to call me. ✗ Would you like that I open the window? → ✓ Would you like me to open the window? ‘Ik wil dat je belt’, ‘wil je dat ik het raam opendoe?’ — de Nederlandse bijzin gaat woord voor woord mee, met that op de plaats van ‘dat’. Na want en would like bestaat die bijzin niet: persoon + to + werkwoord.

2

‘Laten’: let of make?

‘Laten’ betekent zowel toestaan als ergens toe dwingen. ‘Ze liet ons een uur wachten’ (we moesten wachten) is She made us wait for an hour; She let us wait zou betekenen dat we mochten wachten. Toegestaan — let, gedwongen — make.

3

‘Ik voel me’ als I feel myself

✗ I feel myself much better

✓ I feel much better

‘Ik voel me’, ‘ontspan je’, ‘haast je’ — in het Nederlands hoort het voornaamwoord erbij, en het gaat mee. feel, relax, hurry, worry kunnen zonder.

4

me in plaats van myself

✗ I cut me

✗ Did you hurt you?

✓ I cut myself

Did you hurt yourself? In ‘ik heb me gesneden’ is ‘me’ dezelfde vorm als in ‘hij ziet me’, en zo ook ‘je’. Het Engels gebruikt voor een handeling op jezelf de vorm op -self.

5

‘Op mezelf wonen’ als on myself

✗ I live on myself

✓ I live by myself

I live on my own of I live alone. ‘Op mezelf’ wordt letterlijk vertaald, maar het Engels zegt by myself of on my own — met my, niet met myself.

Uitspraak

4 min

Het voornaamwoord tussen twee werkwoorden is onbeklemtoond en wordt kort:

want him to /ˈwɒnt ɪm tə/
made her wait /ˈmeɪd ə ˈweɪt/
let me help /ˈlet mi ˈhelp/

De /h/ aan het begin van him en her valt midden in de zin weg — dat is normaal, niet slordig. De klemtoon ligt op beide werkwoorden; het voornaamwoord ertussen glijdt erdoorheen.

In het wederkerend voornaamwoord ligt de klemtoon op -self: myself /maɪˈself/, yourself /jɔːˈself/, themselves /ðəmˈselvz/, ourselves /ˌaʊəˈselvz/. Betekent het voornaamwoord ‘zelf’, dan krijgt het ook nadruk in de stem: I'll do it mySELF.

Advertentie

Tekst

5 min

My first job was in a small café in Brighton when I was seventeen. The owner, Mrs Price, was very strict. She made us wear a white shirt every day, and she never let us use our phones behind the counter. She expected everyone to arrive ten minutes early, and if you were late, she made you stay ten minutes longer.

In the first week she wanted me to wash the dishes and nothing else. I was bored, so I asked her to let me make the coffee. "Not yet," she said. "I want you to watch Sam first." Sam was the oldest waiter, and he helped me learn everything: how to use the coffee machine, how to carry three plates at once, how to talk to difficult customers.

By the end of the summer I could run the café by myself on quiet afternoons. Once I burnt myself on the coffee machine, but I didn't tell anyone — I just held my hand under cold water and carried on.

On my last day Mrs Price made me a cake herself. "You've taught yourself a lot," she said. "Would you like me to write you a reference?" I still have it.

Hardop lezen

Oefeningen

32 min

1. Maak een zin.

  1. I / want / you / call me tonight
  2. my boss / expect / us / work on Saturdays
  3. would / you / like / me / help you
  4. my parents / not want / me / become an actor (verleden tijd)
  5. the teacher / make / us / rewrite the essay (verleden tijd)
  6. they / let / the children / play in the garden (verleden tijd)
  7. can / you / help / me / carry this box
  8. I / get / my brother / fix my bike (toekomst)
Toon de antwoorden
I want you to call me tonight.; My boss expects us to work on Saturdays.; Would you like me to help you?; My parents didn't want me to become an actor.; The teacher made us rewrite the essay.; They let the children play in the garden.; Can you help me carry this box? / Can you help me to carry this box?; I'll get my brother to fix my bike. / I will get my brother to fix my bike.

2. Vul to in

  1. She made me apologise
  2. I'd like you meet my parents
  3. Let me explain
  4. We expect you be here at nine
  5. The film made everyone laugh
  6. I finally got him agree
  7. We weren't allowed take photos
  8. He helped me move the sofa
Toon de antwoorden
—; to; —; to; —; to; to; — / to

3. Vul het wederkerend voornaamwoord in.

  1. Be careful with that knife — don't cut
  2. Did you paint the kitchen ?
  3. We really enjoyed at the party
  4. She taught to play the guitar
  5. The children made the cake by
  6. The town isn't very interesting, but the beaches are beautiful
Toon de antwoorden
yourself; yourself / yourselves; ourselves; herself; themselves; itself

4. Foutopsporing.

  1. I want that you help me.
  2. My parents didn't let me to go out.
  3. He made me to wait for an hour.
  4. I feel myself much better today.
  5. Would you like that I open the window?
  6. I live on myself.
  7. We were let to leave early.
Toon de antwoorden
I want you to help me; My parents didn't let me go out; He made me wait for an hour; I feel much better today; Would you like me to open the window?; I live by myself / I live on my own / I live alone; We were allowed to leave early

5. Vertaal naar het Engels.

1) Ik wil dat je de waarheid weet. 2) Wil je dat ik je een lift geef? 3) De leraar liet ons het gedicht uit het hoofd leren. 4) Mijn ouders lieten me 's avonds geen tv kijken. 5) Ik heb alles zelf gedaan. 6) Tast toe!

Toon de antwoorden
I want you to know the truth; Would you like me to give you a lift? / Would you like me to drive you?; The teacher made us learn the poem by heart; My parents didn't let me watch TV in the evenings / My parents didn't allow me to watch TV in the evenings / My parents didn't let me watch television in the evenings; I did everything myself / I did it all myself / I did everything by myself / I did everything on my own; Help yourself! / Help yourselves!

6. Vertel over jezelf

in drie zinnen. De antwoorden hieronder zijn een voorbeeld. 1) Wat moest je als kind doen? 2) Wat mocht je? 3) Wat heb je jezelf geleerd?

Toon de antwoorden
My parents made me practise the piano every day; They let me stay at my friends' houses at weekends; I taught myself to cook
Advertentie

Samenvatting

Behandeld: want, would like, expect, need + wie + to; Would you like me to…?; make, let zonder to, help met en zonder to; get + wie + to; allow en be allowed to, was made to; acht wederkerende voornaamwoorden, by myself en on my own; Nederlandse werkwoorden met ‘zich’ zonder myself. Volgende: les 23 — lidwoorden als systeem.

Einde van de kern

De les telt als voltooid zodra de oefeningen zijn gedaan. Alles daarna is optioneel.

Les 95

optioneel

Woordenschat voor de kaartenset

15 woorden
  • expect /ɪkˈspekt/ verwachten
  • allow /əˈlaʊ/ toestaan
  • myself /maɪˈself/ mezelf, zelf
  • by myself /baɪ maɪˈself/ alleen, zonder hulp
  • on my own /ɒn maɪ ˈəʊn/ op mezelf, in mijn eentje
  • help yourself /ˌhelp jɔːˈself/ tast toe
  • get dressed /ˌɡet ˈdrest/ zich aankleden
  • teach yourself /ˌtiːtʃ jɔːˈself/ jezelf iets leren
  • strict /strɪkt/ streng
  • counter /ˈkaʊntə/ toonbank, balie
  • customer /ˈkʌstəmə/ klant
  • burn /bɜːn/ (zich) branden
  • carry on /ˌkæri ˈɒn/ doorgaan
  • reference /ˈrefrəns/ referentie (van een werkgever)
  • by heart /baɪ ˈhɑːt/ uit het hoofd

Schrijven

Zes zinnen over je eerste baan of over school: wat men van je wilde en verwachtte, wat je moest doen, wat je mocht en wat je jezelf hebt geleerd.

Voorbeeld

At my first job, my manager expected me to answer every email the same day. She made me write reports every Friday, but she let me work from home on Mondays. She didn't let us eat at our desks, and she made everyone switch off their phones in meetings. She wanted me to learn the new software quickly, so I taught myself in the evenings. A colleague offered to help, but I wanted to do it on my own. In the end I could do most things by myself.

Checklist

Het concept is opgeslagen op dit apparaat
Advertentie

Heb je een idee voor een functie?

Idee versturen
Advertentie
Advertentie